Rechtspraak
Feiten
Werknemer en werkgeefster zijn in de periode tussen 1 september 2016 en 1 september 2021 meerdere arbeidsovereenkomsten aangegaan, waarvan de laatste voor onbepaalde tijd. Aanvankelijk had werknemer de functie van onlinemediamanager en vanaf 3 september 2018 was hij content creator. In de arbeidsovereenkomst met werknemer is zowel een concurrentiebeding als een relatiebeding opgenomen. Werknemer heeft per 1 september 2021 de arbeidsovereenkomst opgezegd. Werknemer is fotograaf en heeft per 1 januari 2022 een eenmanszaak opgericht. Blijkens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel houdt de eenmanszaak zich bezig met fotografie, adviesbureaus op het gebied van public relations en grafisch ontwerp, videografie, sociale media/influencer, marketing en webdesign. Werkgeefster is blijkens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel een onderneming die zich bezighoudt met het uitgeven van tijdschriften, uitgeven van media (magazine), sponsorwerving en begeleiden van topsporters. Onbetwist staat vast dat het plaatsen van foto’s en video’s van topsporters op de website van werkgeefster onderdeel is van de bedrijfsvoering. Partijen twisten over de vraag of werknemer gehouden is het concurrentie- en relatiebeding na te leven en of werknemer deze bedingen heeft overtreden. De kantonrechter heeft in kort geding geoordeeld dat werknemer gehouden is het concurrentiebeding na te leven, maar heeft het relatiebeding gedeeltelijk geschorst.
Oordeel
Concurrentiebeding
Naar het voorlopig oordeel van het hof vallen de werkzaamheden die werknemer in de eenmanszaak verricht onder de werking van het concurrentiebeding. Werknemer heeft immers in het kader van de vijf projecten die genoemd worden onder 4.7 van het bestreden vonnis, foto’s gemaakt van topsporters in combinatie met merkkleding en/of -goederen, en die op de website van de eenmanszaak geplaatst, terwijl het plaatsen van dergelijke foto’s op de website van werkgeefster onderdeel is van de bedrijfsvoering. Daarmee staat vooralsnog voldoende vast dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden. Verder oordeelt het hof dat er geen sprake is van onbillijke benadeling. De kern van de bedrijfsvoering van werkgeefster is namelijk gelegen in het samenbrengen van merkhouders die hun producten gepromoot willen zien, en topsporters die zich willen profileren en promoten met merkkleding en andere goederen. In zijn functie heeft werknemer relationele en commerciële kennis opgedaan, onder meer bestaande uit de contactgegevens van merkhouders en topsporters, maar ook kennis van de prijsstelling van werkgeefster. Bovendien blijkt uit de overgelegde screenshots van de website van de eenmanszaak dat zij zich nadrukkelijk profileert als een agency die zich (ook) met ‘branding’ bezighoudt. Aldus acht het hof voorshands voldoende aannemelijk dat de werkzaamheden die werknemer verricht in zijn eenmanszaak, als gevolg van de kennis en know how die hij heeft opgedaan bij werkgeefster, een potentiële aantasting vormen van het bedrijfsdebiet van werkgeefster. De beperkingen die werknemer mogelijk ondervindt in het uitoefenen van zijn beroep als gevolg van het concurrentiebeding, wegen al met al niet op tegen de belangen van werkgeefster bij handhaving van het beding. Het hof bekrachtigt het kortgedingvonnis van de kantonrechter hierover.
Relatiebeding
Naar het oordeel van het hof had de kantonrechter de werking van het relatiebeding in zijn geheel moeten schorsen, omdat onvoldoende duidelijk is wat onder relatie wordt verstaan, en daarom niet kan worden afgewogen of werknemer onbillijk wordt benadeeld door het beding. Het hof vernietigt het kortgedingsvonnis van de kantonrechter op dit punt en schorst vervolgens onmiddellijk de werking van het relatiebeding.