Rechtspraak
Appellante (overheidswerkgever) verzoekt UWV op 15 november 2012 de WW-uitkering van werknemer te herzien of een maatregel op te leggen wegens het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen. UWV ziet aanleiding een onderzoek in te stellen naar de sollicitatieactiviteiten van werknemer in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 november 2012. Bij besluit van 3 januari 2013 bericht UWV werknemer dat hij aan de sollicitatieplicht heeft voldaan. UWV wijst het verzoek van appellante tot het opleggen van een maatregel af. Het bezwaar en beroep van appellante tegen dit besluit worden afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Anders dan UWV heeft gesteld, heeft appellante in de melding verwijtbaar gedrag gerede twijfel over de aanspraak van werknemer op de WW-uitkering naar voren gebracht. Bij de beoordeling of UWV in de melding van appellante aanleiding had moeten zien voor het opleggen van een maatregel is van belang dat op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW op de werknemer de verplichting rust om te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, omdat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Ter uitvoering van dit voorschrift hanteert UWV een beleid dat er voor de werknemer op neerkomt dat hij in een periode van vier weken vier sollicitaties moet verrichten. In de uitspraak van de Raad van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3274 is overwogen dat, als een overheidswerkgever UWV heeft gemeld dat een voormalige werknemer zich niet houdt aan zijn sollicitatieverplichting, een beoordelingstermijn van de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de overheidswerkgever ter onderbouwing van de melding het verzoek om informatie over sollicitatieactiviteiten aan de werkloze overheidswerknemer heeft gedaan, een passend uitgangspunt is. Appellante wordt gevolgd in haar opvatting dat de te beoordelen periode de maanden augustus en september 2012 betreft. Ter zitting heeft de gemachtigde van UWV erkend dat werknemer in ieder geval in de maand augustus van 2012 niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Vraag is of UWV kan worden gevolgd in het standpunt dat werknemer geen verwijt kan worden gemaakt.
In het kader van het re-integratietraject hebben appellante, werknemer en Randstad afspraken neergelegd in een plan van aanpak. In dit plan van aanpak is bij de beschrijving van het bemiddelingstraject vermeld dat werknemer vanaf de start van het traject actief aan de slag gaat met het zoeken en vinden van een baan. Uit informatie van een senior adviseur bij Randstad van 12 juli 2012 blijkt dat werknemer op dat moment nog niet aan het solliciteren was omdat hij nog geen idee had over de beoogde zoekrichting. De sollicitatiefase zou worden gestart zodra helder is welke richting werknemer uit wilde gaan. Wat onder sollicitatiefase moet worden verstaan, is niet verduidelijkt en de term komt ook niet in het plan van aanpak voor. Uit deze informatie kan worden afgeleid dat overeengekomen is dat werknemer – in afwijking van het plan van aanpak – in ieder geval tot 14 augustus 2012 nog niet behoefde te solliciteren, althans werknemer heeft dit zo mogen begrijpen. Onder deze omstandigheden kan werknemer niet worden verweten dat hij niet gemiddeld vier sollicitaties per vier weken heeft verricht. UWV heeft terecht in de melding van appellante geen aanleiding gezien om werknemer wegens onvoldoende solliciteren een maatregel op te leggen.