Naar boven ↑

Rechtspraak

Bijtelling privégebruik auto wordt per 1 januari 2013 beschouwd als inkomen uit arbeid en dus in mindering gebracht op de WAO-uitkering. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol is geen sprake.

Appellant ontvangt met ingang van 25 oktober 2004 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Daarnaast verricht appellant werkzaamheden, vanaf 1 februari 2007 als servicetechnicus, waarbij aan hem tevens voor privégebruik een personenauto ter beschikking is gesteld. In verband met de inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip (WUL) met ingang van 1 januari 2013 betrekt UWV de bijtelling wegens privégebruik van een personenauto bij de berekening van het loon dat met de WAO-uitkering van appellant wordt verrekend. Bij besluiten van 1 februari 2013 en 5 februari 2013 verlaagt UWV de WAO-uitkering van appellant vanaf 1 januari 2013 naar € 0 per maand en vordert een bedrag van € 270,35 van appellant terug. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard. In hoger beroep keert appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank en voert aan dat nu zijn inkomsten uit arbeid opnieuw zijn berekend, ook de juistheid van het bij het toekennen van de uitkering vastgestelde maatmaninkomen opnieuw moet worden beoordeeld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant is door de invoering van de WUL in een financieel nadeliger positie terechtgekomen. Immers, het bedrag aan inkomen dat in mindering wordt gebracht op zijn WAO-uitkering wordt verhoogd, terwijl zijn dagloon niet wijzigt. De invoering van de WUL heeft dan ook geleid tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellant. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol is echter geen sprake. De wijziging van het loonbegrip is bij wet voorzien en streeft een legitieme doelstelling in het algemeen belang na, te weten reductie van administratieve lasten en vereenvoudiging van premieheffing. Gelet hierop en rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge die de Staat hierbij toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan de verminderde uitbetaling van de WAO-uitkering van appellant vanaf 1 januari 2013 en de terugvordering van een bedrag van € 270,35, in het algemeen een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het fundamentele recht van het individu, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen het gekozen middel en het beoogde doel. Evenmin is in het concrete geval van appellant sprake van een onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’). In dit verband stelt de Raad voorop dat uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat aan artikel 1 Eerste Protocol geen recht op een uitkering van een bepaalde hoogte kan worden ontleend en dat bij de invoering van de WUL geen afbreuk wordt gedaan aan de essentie van de WAO-uitkering; het recht van appellant op een WAO-uitkering wordt immers niet gewijzigd en het inkomen van appellant blijft (ruim) boven het sociaal minimum. Hoewel voor appellant de inkomstenachteruitgang van € 270,35 bij een bruto inkomen van € 2.638 niet onaanzienlijk te noemen is, is deze vermindering niet aan te merken als een onevenredig zware last.

Tot slot bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank dat op grond van de invoering van de WUL de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant niet wijzigt. Het maatmaninkomen wordt vastgesteld bij de eerste beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Toentertijd behoorde de bijtelling wegens privégebruik van een personenauto niet tot het loon in de zin van de Wfsv. Dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3936) de aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een bepaalde datum ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot het maatmaninkomen bij een nieuwe vaststelling wederom volledig kan worden getoetst, doet aan de hiervoor genoemde wettelijke systematiek van vaststellen van het maatmaninkomen niet af.