Rechtspraak
Werkneemster komt met ingang van 1 februari 2012 in aanmerking voor een WW-uitkering. Uit het toekenningsbesluit blijkt dat van werkneemster wordt verwacht dat zij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert. Appellante is eigenrisicodrager voor uitkeringen die op grond van de WW worden betaald. Zij doet op 24 juli 2012 een zogenoemde melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject (melding) aan UWV toekomen. Volgens appellante heeft werkneemster onvoldoende sollicitatie-activiteiten verricht. Bij besluit van 10 augustus 2012 (besluit 1) bericht UWV appellante dat de melding niet in behandeling wordt genomen, omdat niet is gebleken dat deze melding is gedaan in het kader van de uitvoering van artikel 72a van de WW. Bij een tweede besluit van 10 augustus 2012 (besluit 2) stelt UWV vast dat er geen aanleiding is voor het opleggen van een maatregel aan werkneemster. Bij besluit van 25 augustus 2012 beëindigt UWV de uitkering van werkneemster met ingang van 13 augustus 2012 in verband met werkhervatting door werkneemster. Het bezwaar van appellante tegen besluit 1 wordt ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat UWV niet alsnog een maatregel kan opleggen. Evenmin kan aanspraak worden gemaakt op een schadevergoeding op grond van artikel 108 lid 1 onder f Wet financiering sociale verzekering, omdat die mogelijkheid tot schadevergoeding gekoppeld is aan de schade die voortvloeit uit de toepassing van artikel 23 lid 1 WW. UWV kan dat artikel in het geval van werkneemster niet meer toepassen. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep gekeerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft appellante wel procesbelang bij een beoordeling van de vraag of op basis van haar melding van 24 juli 2012 aan werkneemster een maatregel had moeten worden opgelegd wegens het gestelde in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen. Appellante heeft immers gesteld dat zij schade heeft geleden door het besluit van 10 augustus 2012 om geen maatregel op te leggen. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad doet de zaak vervolgens zelf af. Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat UWV had moeten beoordelen of werkneemster in de maanden maart tot en met mei 2012 aan de op haar rustende sollicitatieplicht heeft voldaan. Evenmin is in geschil dat werkneemster in de maand mei 2012 voldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht, maar in de maand april 2012 te weinig. Ter zitting is door UWV ook erkend dat aan werkneemster een maatregel had moeten worden opgelegd nu zij zich niet aan haar sollicitatieverplichting heeft gehouden. Partijen zijn het er verder over eens dat werkneemster niet alsnog met terugwerkende kracht een maatregel kan worden opgelegd wegens schending van artikel 24 lid 1 onder b WW. UWV heeft echter ook nagelaten appellante te compenseren voor de schade die als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming is ontstaan, waarom appellante wel heeft verzocht. Er is aanleiding UWV te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden schade ter hoogte van het bedrag dat minder op appellante zou zijn verhaald, als er wel een maatregel zou zijn opgelegd op de uitkering van werkneemster. Het hoger beroep slaagt.