Rechtspraak
Vanaf 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009 werkt werkneemster bij Stichting Y. Met ingang van 3 augustus 2009 ontvangt werkneemster een WW-uitkering, die met ingang van 24 augustus 2009 wordt beëindigd wegens werkhervatting. Werkneemster is sinds 1 november 2009 werkzaam als docente bij appellante. Appellante is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, WW. Vanaf 21 mei 2012 tot 27 juli 2012 verricht werkneemster gedurende een wisselend aantal uren werkzaamheden voor uitzendbureau X. Met ingang van 1 augustus 2012 is aan werkneemster een WW-uitkering toegekend, waarbij UWV uitgaat van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37,99 per week. Daarnaast stelt UWV met toepassing van de dagloongarantie ex artikel 17 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (het Besluit dagloon) het dagloon vast op € 171,59. Het door appellante ingestelde bezwaar en beroep wordt ongegrond verklaard. In hoger beroep voert appellante aan dat UWV op grond van artikel 79 WW bij de vaststelling van het GAA een splitsing had moeten maken tussen enerzijds de uren die werkneemster met haar werkzaamheden had opgebouwd bij appellante en anderzijds de uren die werkneemster met haar werkzaamheden had opgebouwd bij uitzendbureau X. Appellante stelt dat zij zonder een dergelijke splitsing als overheidswerkgever zijnde ook de rekening gepresenteerd krijgt voor het gedeelte van het WW-recht dat werkneemster heeft opgebouwd met haar werkzaamheden bij uitzendbureau X. Voorts voert appellante aan dat UWV ten onrechte het dagloon met toepassing van de dagloongarantie van artikel 17 van het Besluit dagloon heeft vastgesteld, omdat de dienstbetrekking van werkneemster met appellante is beëindigd binnen de in dat artikel genoemde termijn van 36 maanden. UWV had daarom artikel 9 van dat besluit moeten toepassen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Indien er twee dienstbetrekkingen zijn geweest waarin een werknemer werkzaam was, dan moet de omvang van het aantal uren in beide dienstbetrekkingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het GAA. Daarbij moet worden uitgegaan van feitelijk gewerkte uren. Voor een splitsing van het GAA kan geen basis worden gevonden in artikel 79 van de WW. Dit artikel ziet niet op de vaststelling van het GAA of – meer in het algemeen – op de vaststelling van de uitkering, maar uitsluitend op het verhaal van de uitkering op de overheidswerkgever. Ook elders in de wet- en regelgeving is geen basis te vinden voor de door appellante voorgestane splitsing. Appellante wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat UWV het GAA had moeten splitsen. Ook ten aanzien van de vaststelling van het dagloon wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt. Met UWV wordt namelijk geoordeeld dat de termijn van 36 maanden waar het hier om gaat is gaan lopen op 1 augustus 2009, om 0.00 uur. Aansluiting wordt hier gezocht bij hetgeen door de Raad is overwogen in eerdere rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BY5827). De dienstbetrekking tussen werkneemster en appellante is geëindigd precies 36 maanden nadat de termijn van 36 maanden is gaan lopen, namelijk op 31 juli 2012 na het verstrijken van het tijdstip van 23.59 uur. Hiermee valt het einde van de dienstbetrekking nog juist binnen de termijn van artikel 17 van het Besluit dagloon. UWV heeft zodoende terecht de dagloongarantie toegepast. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.