Naar boven ↑

Rechtspraak

Meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen tegen beter weten in en in strijd met de waarheid gedaan vormen objectief dringende reden voor ontslag. Werknemer stelt terecht dat UWV gehouden is werkloosheid zelfstandig te onderzoeken.

Appellant is vanaf 2 september 2002 werkzaam bij werkgeefster in de functie van buschauffeur. Bij beschikking van 3 augustus 2009 (ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5232) heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van de dag na die waarop de beschikking is uitgesproken. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat appellant tegen beter weten in en in strijd met de waarheid meldingen en aangifte heeft gedaan van bedreiging en bedreiging met een vuurwapen. De kantonrechter heeft deze meldingen en aangifte door appellant aangemerkt als een dringende reden als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

UWV verstrekt bij besluit van 25 juli 2011 appellant met ingang van 14 januari 2011 een voorschot op een WW-uitkering. Een definitieve beslissing op de aanvraag kan niet worden genomen, omdat appellant in beroep zou zijn gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter. Werkgeefster maakt bezwaar tegen dit besluit van UWV. UWV stelt vast dat het niet mogelijk is om in hoger beroep te gaan tegen een beschikking van de kantonrechter, tenzij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden of artikel 7:685 van het BW ten onrechte wel of niet is toegepast. Er had definitief beslist kunnen worden op de aanvraag, zodat ten onrechte een WW-uitkering is verstrekt op basis van voorschotten. Bij besluit van 19 december 2011 stelt UWV vast dat appellant vanaf 5 augustus 2009 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden (weigeringsbesluit). Ook wordt een bedrag van in totaal € 21.711,80 aan verstrekt voorschot van appellant teruggevorderd (intrekkings- en terugvorderingsbesluit). Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2012 (bestreden besluit 1) verklaart UWV het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 19 december 2011 ongegrond. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij hetgeen is voorgevallen, heeft ingeschat als een bedreiging, zodat geen sprake is geweest van een valse aangifte. Volgens appellant heeft UWV niet mogen volstaan met het acht slaan op de beschikking van de kantonrechter, maar had het een eigen onderzoek moeten instellen. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij na schorsing gewoon ingeroosterd is voor werk, zodat het de dringende reden aan subjectiviteit ontbreekt. Bij besluit van 28 januari 2016 (bestreden besluit 2) heeft UWV het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en het eerdere standpunt herzien. Volgens UWV is appellant wel verwijtbaar werkloos geworden, maar kan hem dit niet in overwegende mate worden verweten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt ten aanzien van bestreden besluit 2. Evenals de kantonrechter is de Raad van oordeel dat appellant de meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen tegen beter weten in en in strijd met de waarheid heeft gedaan. Deze gedragingen van appellant zijn aan te merken als een objectief dringende reden voor ontslag. Daarbij is de ernst van de beschuldigingen van belang, met name de gestelde bedreiging met een vuurwapen. Het uiten van de beschuldigingen heeft immers niet alleen consequenties gehad voor de vier mannen, die als gevolg daarvan zijn aangehouden en in verzekering zijn gesteld, maar heeft ook tot gevolg gehad dat de hulp van politie onnodig is ingeroepen en dat een groot aantal passagiers onnodig hinder heeft ondervonden. Daarnaast is van belang dat het doen van deze onterechte beschuldigingen gevolgen zou kunnen hebben gehad voor de samenwerking tussen werkgeefster en de politie, die juist tot stand was gekomen ter bestrijding van geweld in het openbaar vervoer. Deze samenwerking hield in dat de politie onmiddellijk zou ingrijpen, wanneer een buschauffeur melding maakt van overlast, zeker wanneer sprake is van enige bedreiging. Voor continuering van deze steun is essentieel dat uitsluitend melding wordt gemaakt van bedreiging indien het ook werkelijk om bedreiging gaat. Werkgeefster heeft er dan ook groot belang bij dat buschauffeurs geen meldingen doen die in strijd zijn met de waarheid. De omstandigheid dat appellant door de strafrechter is vrijgesproken, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het vonnis blijkt immers niet wat voor de strafrechter aanleiding is geweest om appellant vrij te spreken, nu de strafrechter zijn vonnis niet heeft gemotiveerd.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of werkgeefster ten aanzien van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst een zodanige voortvarendheid heeft betracht dat aan het ontslag een subjectieve dringende reden ten grondslag ligt. Bij de vraag naar de subjectiviteit van de dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval in de beoordeling te worden betrokken. Niet gezegd kan worden dat het tijdsverloop tussen het moment van het voorval en het moment van het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden met zich brengt dat werkgeefster onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat werkgeefster op geen enkel moment te kennen heeft gegeven dat de verweten gedragingen niet als ernstig werden gezien of dat daaraan andere gevolgen zouden worden verbonden dan een ontslag. Bovendien is van belang dat appellant vanaf 22 april 2009 tot het einde van de dienstbetrekking was geschorst en geen werkzaamheden meer heeft verricht voor werkgeefster. Eventuele andere vermeldingen in het rooster doen hieraan niet af. Geconcludeerd wordt dat is voldaan aan de eis van subjectieve dringendheid. De overige omstandigheden, waaronder de leeftijd van appellant, de duur van de dienstbetrekking, de wijze van functievervulling en de relatie met de Marokkaanse lijnmanager geven geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag. Dit brengt met zich dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

Tussen partijen is voorts in geschil of appellant van zijn gedraging enig verwijt kan worden gemaakt dan wel of de gedraging hem in overwegende mate kan worden verweten. Hoewel niet met volledige zekerheid kan worden uitgesloten dat het incident in 2009 appellant niet volledig kan worden verweten, gelet op zijn medische situatie, vormen de genoemde stukken onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een maatregel van 50% gedurende een periode van 26 weken op grond van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft immers pas op 21 april 2015 melding gedaan van het feit dat er wellicht omstandigheden waren die maken dat de gedragingen hem niet dan wel in mindere mate kunnen worden verweten. Vervolgens heeft hij pas op 10 november 2015 eerdergenoemde medische stukken overgelegd. Deze hebben echter geen betrekking op zijn medische situatie in 2009, maar zien op zijn situatie in 2015. Anders dan UWV ziet de Raad geen aanleiding om appellant in dit geval het voordeel van de twijfel te gunnen, nu door zijn toedoen geruime tijd is verstreken en zijn medische situatie ten tijde van het incident daardoor niet meer met voldoende zekerheid is vast te stellen.

Met de vernietiging van bestreden besluit 2 is ook de intrekking door UWV van bestreden besluit 1, voor zover dit ziet op het weigeringsbesluit, vernietigd. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of bestreden besluit 1 in zoverre juist is. Appellant heeft terecht aangevoerd dat UWV in dit geval niet heeft mogen volstaan met het overnemen van het oordeel van de kantonrechter. Volgens vaste rechtspraak is UWV gehouden zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of de aanvrager van een WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. De kantonrechter heeft in de ontbindingsbeschikking weliswaar een gedetailleerde beschrijving gegeven van hetgeen op de camerabeelden is te zien, maar dit brengt niet met zich dat UWV kon volstaan met kennisneming van deze beschikking. Bestreden besluit 1 wordt daardoor niet gedragen door een deugdelijke motivering en komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Omdat echter uit de eerdere overwegingen van de Raad volgt dat UWV gehouden was de WW-uitkering van appellant te weigeren met ingang van 5 augustus 2009, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand te laten.