Rechtspraak
Van 3 juli 2007 tot en met 31 juli 2008 is werknemer als docent werkzaam bij appellante. Aansluitend werkt werknemer ongeveer een jaar lang aan het schrijven van een boek. UWV brengt werknemer met ingang van 1 juli 2009 in aanmerking voor een WW-uitkering. In verband met het verstrijken van de uitkeringsduur eindigt de uitkering met ingang van 4 juli 2011. Appellante, overheidswerkgever en als zodanig eigenrisicodrager op wie UWV de WW-uitkering van werknemer heeft verhaald, maakt bezwaar tegen de toekenning van de WW-uitkering en tegen de uitbetaling van de WW-uitkering over de maand juni 2011. UWV verklaart het bezwaar niet-onvankelijk.
In het kader van de behandeling van het bezwaar wordt op 28 november 2011 een hoorzitting gehouden. Appellante wendt zich, naar aanleiding van uitlatingen van werknemer tijdens die hoorzitting, tot UWV met het verzoek de WW-uitkering van werknemer te herzien en terug te vorderen vanaf het moment waarop werknemer niet heeft voldaan aan de verplichtingen van de WW om beschikbaar te zijn voor arbeid en om te voldoen aan zijn sollicitatieplicht. UWV wijst dit verzoek af. Dit besluit wordt gehandhaafd bij beslissing op bezwaar (het bestreden besluit). De rechtbank verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante vecht in hoger beroep het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit aan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat UWV geen aanleiding heeft hoeven zien voor herziening en terugvordering van de WW-uitkering, omdat werknemer zijn sollicitatieplicht zou hebben geschonden.
Onder meer wordt in het kader van die beoordeling gewezen op de uitspraak van de Raad van 16 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3274). Daarin is geoordeeld dat UWV bij een controle op het voldoen aan de sollicitatieverplichting naar aanleiding van een melding van een overheidswerkgever niet gehouden is een langere termijn te hanteren dan de periode van maximaal drie maanden voorafgaand aan de melding die ook wordt gehanteerd bij een controle ten aanzien van WW-gerechtigden die niet uit de sector Overheid en Onderwijs werkloos zijn geworden. Ingeval de overheidswerkgever ter onderbouwing van zijn melding aan de werkloze heeft verzocht om informatie over sollicitatieactiviteiten, is het hanteren van een beoordelingstermijn van de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin dat verzoek is gedaan, een passend uitgangspunt geacht.
Het verzoek van appellante is gedaan op 12 december 2011. Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak volgt dat een onderzoek naar de sollicitatieactiviteiten van werknemer zich mag uitstrekken tot de laatste drie maanden voorafgaande aan de met haar verzoek gedane melding. Uit een oogpunt van gelijke behandeling van WW-gerechtigden is er geen aanleiding om vanwege de omstandigheid dat de WW-uitkering reeds was geëindigd toen appellante haar verzoek deed, een andere termijn te hanteren. Omdat werknemer in de drie maanden vóór 12 december 2011 geen WW-uitkering meer ontving en daarom in die periode niet meer gehouden was zich aan de verplichtingen van de WW te houden, mocht UWV een onderzoek naar diens sollicitatieactiviteiten achterwege laten.
De grond dat appellante gerede twijfel naar voren heeft gebracht over de aanspraak van werknemer op een WW-uitkering behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.