Rechtspraak
Appellant ontvangt vanaf 2 januari 2012 een WW-uitkering. Van 18 september 2012 tot en met 29 augustus 2013 wordt aan appellant ziekengeld verstrekt. Appellant maakt bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en verzoekt om herleving van zijn WW-uitkering. De WW-uitkering wordt bij besluit van 15 oktober 2013 voortgezet met ingang van 29 augustus 2013. UWV verklaart daarnaast het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering gegrond. Naast het ziekengeld wordt aan appellant vanaf 29 augustus 2013 tot en met 2 maart 2014 WW-uitkering betaald. Bij besluit van 27 maart 2014 deelt UWV appellant mee dat de WW-uitkering vanaf 29 augustus 2013 niet tot uitbetaling had mogen komen, omdat hij recht had op ziekengeld. De WW-uitkering wordt met ingang van deze datum herzien en de over de periode van 29 augustus 2013 tot en met 2 maart 2014 betaalde WW-uitkering, ten bedrage van € 7.637,22 bruto, wordt teruggevorderd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep herhaalt appellant dat hem ten onrechte niet alsnog gelegenheid is gegeven tot een hoorzitting en inschakeling van een gemachtigde
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens een notitie van een telefoongesprek op 28 april 2014 om 13.23 uur heeft appellant aan een medewerker van UWV gezegd af te zien van een hoorzitting. De notitie van een andere medewerker van een gesprek later op de dag vermeldt dat appellant contact heeft opgenomen via een collega van haar en dat hij op aandringen van zijn partner contact op zal nemen met een advocaat voor de beroepsprocedure. Appellant heeft in een e-mail aan zijn gemachtigde geschreven dat hij tevens heeft verzocht het besluit niet te willen verzenden. Er is geen reden om aan deze beschrijving van de telefoongesprekken te twijfelen. Uitgaande van het verzoek van appellant de verzending van het bestreden besluit uit te stellen omdat hij een advocaat wilde inschakelen, had de medewerker van UWV zich moeten afvragen of appellant toch een hoorzitting wenste, nu de inschakeling van een advocaat kennelijk bedoeld was om het nog te nemen besluit op bezwaar te beïnvloeden. Nu de medewerker appellant hierover niet heeft bevraagd, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat appellant afstand had gedaan van zijn recht om te worden gehoord. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Het bestreden besluit is in strijd met die bepaling genomen. De beroepsgrond dat het onzorgvuldig is de WW-uitkering bruto terug te vorderen omdat UWV een fout heeft gemaakt en onrechtmatig heeft gehandeld, faalt.