Rechtspraak
Betrokkene werkt van 1 juni 1989 tot 1 juni 2009 gedurende 38 uur per week bij een nv. In die periode sluit hij drie aanvullende pensioenverzekeringen af. UWV brengt betrokkene met ingang van 1 september 2009 in aanmerking voor een WW-uitkering, berekend naar een arbeidsurenverlies van 22 uur, nu betrokkene met ingang van voornoemde datum voor 16 uur in dienst treedt bij bedrijf X. Met ingang van 6 mei 2011 ontvangt betrokkene uit hoofde van de door hem afgesloten pensioenverzekeringen een overbruggingsuitkering van laatstelijk € 2.003,50 per maand. Bij besluit van 1 juni 2011 brengt UWV de overbruggingsuitkering in mindering op de WW-uitkering, waardoor de WW-uitkering niet meer tot uitbetaling is gekomen. Het dienstverband met bedrijf X eindigt op 31 mei 2013. UWV brengt betrokkene met ingang van 4 juni 2013 in aanmerking voor een WW-uitkering naar een arbeidsurenverlies van 16 uur. Bij een tweede besluit van 19 juni 2013 bepaalt UWV dat de toegekende uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat de overbruggingsuitkering hoger is dan de WW-uitkering. Het bezwaar van betrokkene tegen laatstgenoemd besluit verklaart UWV ongegrond. De rechtbank overweegt in de aangevallen uitspraak dat de overbruggingsuitkering terecht is aangemerkt als een uit de dienstbetrekking met de nv voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 3:5 lid 1 aanhef en onder a van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) voor zover deze voortvloeide uit twee van de drie verzekeringen en dat de overbruggingsuitkering in zoverre terecht in mindering is gebracht op de WW-uitkering van betrokkene. Ten aanzien van de uitkering uit hoofde van de derde verzekering is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van een uitkering in de zin van artikel 3:5 lid 1 aanhef en onder a AIB. UWV en betrokkene stellen beide hoger beroep in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ten aanzien van de derde pensioenverzekering is van belang dat betrokkene deze verzekering op eigen initiatief in 1999 heeft afgesloten uit de behoefte aan een aanvullende pensioenvoorziening. Hij heeft deze om praktische redenen ondergebracht bij de pensioenverzekeraar van de nv. Om dezelfde reden is de door betrokkene verschuldigde premie op zijn verzoek door de nv ingehouden op zijn brutosalaris en rechtstreeks overgemaakt naar de verzekeringsmaatschappij. De nv droeg financieel niet bij aan deze voorziening. Op de polis van de verzekering is de nv vermeld als verzekeringnemer en betrokkene als verzekerde. Er zijn, gelet op het voorgaande, onvoldoende aanwijzingen om de door betrokkene genoten overbruggingsuitkering te beschouwen als een uit zijn dienstbetrekking met de nv voortvloeiende uitkering. Betrokkene heeft weliswaar fiscaal voordeel gehad ten tijde van de premiebetalingen, maar hij had dat voordeel ook kunnen genieten indien hij ervoor had gekozen om de premies te voldoend uit privémiddelen. Hieruit volgt dat het hoger beroep van UWV niet slaagt.
Met betrekking tot de eerste en tweede pensioenverzekering is het volgende van belang. Op 21 oktober 2005 heeft betrokkene door het afschaffen van de bij de nv geldende VUT-regeling de beschikking gekregen over een afkoopsom van ruim € 45.000. Betrokkene heeft ervoor gekozen dat bedrag aan te wenden voor een overbruggingspensioen, dat hij om praktische redenen eveneens heeft ondergebracht bij de pensioenverzekeraar van de nv en dat verplicht tot uitbetaling zou komen na het bereiken van de 60-jarige leeftijd door hem. Op verzoek van betrokkene heeft de nv de afkoopsom niet aan hem uitbetaald, maar rechtstreeks overgemaakt naar de verzekeringsmaatschappij. Op de polis van de verzekering is de nv vermeld als verzekeringnemer en betrokkene als verzekerde. Deze verzekeringen verschilden slechts in die zin van de hiervoor besproken derde verzekering, dat de afkoopsom die betrokkene heeft aangewend voor de eerste twee verzekeringen is te herleiden tot zijn dienstbetrekking met de nv, omdat die afkoopsom het gevolg was van de eerdere VUT-regeling bij de nv. Dat neemt echter niet weg dat die afkoopsom behoorde tot het privévermogen van betrokkene waarover deze de vrije beschikking had. Het betrof geen uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting van de werkgever. In zoverre is het karakter van deze verzekeringen niet anders dan dat van de derde verzekering.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de overbruggingsuitkering van betrokkene niet kan worden aangemerkt als een uit zijn dienstbetrekking met de nv voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. UWV heeft deze uitkering dan ook ten onrechte in mindering gebracht op de WW-uitkering waarvoor betrokkene met ingang van 4 juni 2013 in aanmerking is gebracht. Het hoger beroep van betrokkene slaagt en de aangevallen uitspraak wordt gedeeltelijk vernietigd.