Naar boven ↑

Rechtspraak

De werkgever mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest.

Appellant valt op 4 februari 2013 als gevolg van irritatief contact eczeem met hyperkeratose uit voor zijn werk als zelfstandig kok voor 38 uur per week. Op verzoek van appellant geeft UWV op 19 juni 2014 een deskundigenoordeel. In het daaraan ten grondslag liggende arbeidskundig rapport van 18 juni 2014 wordt vermeld dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster in principe voldoende waren. Verder is in dat rapport een verschil van mening tussen werkgeefster en appellant over de invulling van het tweede spoortraject vermeld. De arbeidsdeskundige acht beter overleg tussen werkgeefster en appellant nodig om een beter re-integratieresultaat te behalen. Op 23 november 2014 vraagt appellant een uitkering aan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 14 januari 2015 stelt UWV vast dat werkgeefster niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en bepaalt dat werkgeefster aan appellant loon moet doorbetalen tot 1 februari 2016. Het bezwaar van werkgeefster tegen dit besluit wordt gegrond verklaard. UWV trekt het loonsanctiebesluit in. Bij de aangevallen uitspraak verklaart de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bij het deskundigenoordeel een correcte standaardbeoordeling heeft gemaakt over de re-integratie-inspanningen van werkgeefster in het tweede spoor en dat werkgeefster, gelet op de rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 20 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2382) en van 22 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6619) mocht uitgaan van dat oordeel over de verrichte re-integratie-inspanningen tot dat moment. In hoger beroep brengt appellant naar voren het niet eens te zijn met het gewicht dat de rechtbank aan het deskundigenoordeel heeft gegeven, nu dat was gebaseerd op onvolledige gegevens en gebrekkig was voorbereid en gemotiveerd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant kan met het hoger beroep niet bereiken dat de intrekking van de aan werkgeefster opgelegde loonsanctie ongedaan wordt gemaakt. Appellant heeft echter gesteld dat hij schade heeft geleden door het besluit van UWV om de loonsanctie in te trekken en heeft in verband met een verzoek om schadevergoeding belang bij een inhoudelijk beoordeling van het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. Gelet op wat in het bestreden besluit is gesteld over de wijze waarop werkgeefster haar re-integratie-inspanningen heeft verricht, is in hoger beroep de vraag aan de orde of UWV terecht bij het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat werkgeefster, mede gelet op het gegeven deskundigenoordeel, zich bij de re-integratie van appellant voldoende heeft ingespannen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij met juistheid overeenkomstig de genoemde rechtspraak van de Raad betekenis toegekend aan het gegeven deskundigenoordeel van 18 juni 2014. Volgens die rechtspraak mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest. Zoals is overwogen in de uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4450) heeft een tijdig aangevraagd deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen juist de bedoeling om werkgever en werknemer een handvat te bieden voor een verdere adequate re-integratie en voor herstel van eventuele bij het deskundigenoordeel geconstateerde tekortkomingen. Nu, anders dan in de situatie die geleid heeft tot de uitspraak van de Raad van 22 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2429), geen gemotiveerd voorbehoud in het deskundigenoordeel is opgenomen, mocht werkgeefster de ingeslagen weg voortzetten en het re-integratietraject in het tweede spoor vervolgen zoals dat was ingezet. Ter zitting van de Raad heeft appellant bevestigd dat het in 2013 ingezette tweede spoor adequaat is verlopen zodat, anders dan in genoemde uitspraak van 22 juli 2015, er terecht geen aanleiding was te concluderen dat werkgeefster in de resterende periode alsnog tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Het hoger beroep slaagt niet.