Rechtspraak
Werknemer treedt op 1 april 1998 bij werkgever in dienst. Werknemer meldt zich in januari 2012 ziek en dient in oktober 2013 een aanvraag voor een WIA-uitkering in. In verband met deze aanvraag stelt UWV een onderzoek in naar de re-integratie-inspanningen van werkgever. Dit onderzoek leidt tot een tweetal besluiten. Bij het eerste besluit wordt een loonsanctie van 52 weken opgelegd, nu de re-integratie-inspanningen van werkgever onvoldoende zijn geweest en voor verzuim een deugdelijke grond ontbreekt (loonsanctiebesluit). Bij het tweede besluit wordt de aanvraag van werknemer om toekenning van een WIA-uitkering opgeschort in verband met de opgelegde loonsanctie (opschortingsbesluit). Werkgever en werknemer hebben tegen voornoemde besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 mei 2014 (bestreden besluit) heeft UWV (appellant) de bezwaren ongegrond verklaard. Werkgever en werknemer hebben vervolgens beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn beleid niet op een juiste wijze toegepast. Appellant heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid om het gebrek in het besluit van 14 mei 2014 te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant het geconstateerde gebrek echter niet hersteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Blijkens de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter staat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, geldt dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de verrichte re-integratie-inspanningen. Indien UWV het resultaat niet bevredigend acht, moet volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op hetgeen door werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Om vast te stellen of er sprake is van een bevredigend resultaat wordt aan drie voorwaarden getoetst: (1) is de werkhervatting structureel?; (2) gaat het om passend werk?; en (3) sluit het werk (min of meer) aan bij de functionele mogelijkheden? Partijen zijn het erover eens dat de werkhervatting van werknemer een structureel karakter heeft. Zij verschillen echter van mening over de passendheid van het werk. Of sprake is van passend werk, moet aan de hand van de concrete omstandigheden van de situatie worden beoordeeld, waarbij onder meer ook het loon in aanmerking moet worden genomen. Het doel van de re-integratie is immers dat wordt voorkomen dat de werknemer een beroep doet op een WIA-uitkering. Dat betekent dat van werkgever en werknemer re-integratie-inspanningen worden verlangd zodra en zolang rekening gehouden moet worden met een mogelijke instroom van de werknemer in de WIA, tenzij de werknemer in het geheel geen arbeidsmogelijkheden heeft. Dat is het geval als de werknemer met het door de werkgever aangeboden werk minder dan 65% van het oorspronkelijk loon verdient. In dit geval kon werknemer met de aangepaste werkzaamheden niet meer dan 50% van het oorspronkelijke loon verdienen. Daaruit wordt geconcludeerd dat het aangeboden werk – hoezeer dat ook is afgestemd op zijn beperkingen en overigens aansluit bij zijn vaardigheden en wensen – niet als passend kan worden getypeerd. Appellant heeft terecht vastgesteld dat met de gedeeltelijke werkhervatting van werknemer tegen een loonwaarde van 50% geen bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels is bereikt. Appellant kon derhalve toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. De stukken bieden voorts voldoende steun voor het standpunt van appellant dat de re-integratie-inspanningen van werkgever onvoldoende zijn geweest. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd.