Naar boven ↑

Rechtspraak

Onjuiste maatstaf arbeid; het op verzoek van werkgever enkele keren thuis verrichten van enkele werkzaamheden, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een andere maatstaf arbeid.

Appellante is werkzaam als accountmanager en is in 2010 bevallen. Aansluitend aan haar WAZO-uitkering is appellante tot 4 april 2011 ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van zwangerschap en bevalling. Op 31 december 2012 eindigt haar arbeidsovereenkomst, waarna zij in aanmerking wordt gebracht voor een WW-uitkering. Op 28 mei 2013 meldt appellante zich ziek met psychische klachten. UWV bepaalt vervolgens dat appellante met ingang van 15 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellante meldt zich op 11 juni 2014 wederom ziek met psychische klachten. Op dat moment ontvangt zij een WW-uitkering. De arts van UWV acht appellante belastbaar met inachtneming van de beperkingen als neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na onderzoek door een arbeidsdeskundige stelt UWV bij besluit van 7 mei 2015 vast dat appellante met ingang van 11 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat er geen medische gronden zijn om ongeschiktheid aan te nemen voor de maatstaf arbeid van gemiddeld acht uur per week. Het bezwaar en beroep van appellante tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ als bedoeld in artikel 19 ZW verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19 lid 5 ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. UWV is voor de in aanmerking te nemen maatstaf arbeid uitgegaan van de functie van accountmanager voor acht uur per week. Op basis van de beschikbare gegevens is niet vast komen te staan dat appellante laatstelijk voor haar ziekmelding als accountmanager vanuit huis, gemiddeld acht uur per week werkzaamheden heeft verricht. Dit betekent dat UWV is uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid. De gegevens die bekend zijn geworden over de enkele keren dat appellante thuis voor haar werkgever enkele werkzaamheden heeft verricht, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een andere maatstaf arbeid dan de functie van accountmanager voor 37,5 uur per week in welke functie‑omvang appellante heeft gewerkt, en op grond waarom zij ook – na ontslag – WW heeft ontvangen en, bij eerdere ziekmelding, een ZW-uitkering ontving. Het hoger beroep slaagt.