Rechtspraak
Bij besluit van 15 juli 2014 beslist UWV dat aan appellante per 1 juli 2014 geen ZW-uitkering wordt uitbetaald, omdat appellante onnodig een beroep heeft gedaan op de ZW, door zich neer te leggen bij de beƫindiging van haar dienstverband terwijl zij ziek was. Het bezwaar en beroep tegen het bestreden besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 BW ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. Deze situatie is in de onderhavige kwestie onmiskenbaar aan de orde. De werkgever van appellante heeft het dienstverband met toestemming van UWV opgezegd. Onbetwist is dat appellante ten tijde van de opzegging ziek was, zodat het ontslag gegeven is in strijd met het in artikel 7:670 BW vastgelegde opzegverbod tijdens ziekte. Tevens is onbetwist dat appellante niet de nietigheid van dit ontslag heeft ingeroepen. UWV gaat er in het bestreden besluit dan ook terecht van uit dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7 aanhef en onder a van het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten, waarbij een blijvende gehele weigering van de uitkering past, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. De door appellante ingebrachte medische gegevens kunnen niet de conclusie dragen dat er geen sprake is van verwijtbaarheid. Het hoger beroep faalt.