Rechtspraak
Bij besluit van 26 augustus 2015 weigert UWV aan appellante een ZW-uitkering te betalen, omdat appellante onnodig een beroep doet op de Ziektewet, nu appellante akkoord is gegaan met beëindiging van haar dienstverband tijdens ziekte, waardoor zij haar aanspraken op loon heeft opgegeven. Het bezwaar en beroep tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is van een benadelingshandeling sprake in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 BW, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. Deze situatie is in de onderhavige kwestie onmiskenbaar aan de orde. Appellante heeft op 12 juni 2015 een vaststellingsovereenkomst ondertekend op basis waarvan haar dienstverband zou worden beëindigd per 13 juli 2015. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij op dat moment niet ziek was. Op 31 juli 2015 heeft haar (ex-)werkgever een ziekmelding gedaan, inhoudende dat zij per 23 februari 2015 – in aansluiting op een eerdere ziekteperiode – ziek was. UWV heeft appellante van deze ziekmelding bij brief van 31 juli 2015 op de hoogte gesteld. Appellante heeft niet tegen een doorlopende ziekteperiode vanaf 23 februari 2015 geprotesteerd. UWV heeft de ziekmelding plausibel geacht en heeft appellante pas per 21 september 2015 weer geschikt geacht voor haar eigen werk. Appellante heeft dus meegewerkt aan beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte en heeft daarmee haar loonaanspraken jegens haar werkgever opgegeven. Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7 aanhef en onder a van het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten, waarbij een blijvende gehele weigering van de uitkering past, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. De door appellante ingebrachte gegevens kunnen niet de conclusie dragen dat er geen sprake is van verwijtbaarheid. Het hoger beroep faalt.