Naar boven ↑

Rechtspraak

Ook als een IVA-uitkering zonder verkorte wachttijd is toegekend, prevaleert de WIA-uitkering boven een eventuele loondoorbetalingsplicht. De werkgever kan met een beroep op artikel 7:629 lid 5 BW de uitkering in mindering brengen op de loondoorbetalingsplicht.

Werkneemster heeft een dienstverband met (de rechtsvoorgangster van) Stichting X gecombineerd met een dienstverband met appellante. Werkneemster is in 2006 uitgevallen uit het werk bij Stichting X. Haar werkzaamheden voor appellante, die veel lichter van aard waren, zet zij voort. UWV brengt werkneemster met ingang van 22 november 2008 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt werkneemster een WGA-loonaanvullingsuitkering. De inkomsten uit het werk bij appellante verrekent UWV met de uitkering. Werkneemster valt op 25 mei 2013 uit voor haar werk bij appellante. Bij besluit van 7 november 2014 stelt UWV vast dat werkneemster met ingang van 25 mei 2013 niet langer recht heeft op een WGA-uitkering maar op een IVA-uitkering. Appellante maakt tegen het besluit van 7 november 2014 bezwaar, omdat daarin is vermeld dat 70% van het loon dat zij aan werkneemster doorbetaalt gedurende de periode van 25 mei 2013 tot 23 mei 2015 op de WIA-uitkering in mindering komt. Volgens appellante komt haar het recht toe om de WIA-uitkering op grond van artikel 7:629, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in mindering te brengen op het loon dat zij in verband met de uitval wegens ziekte gedurende een periode van 104 weken aan werkneemster doorbetaalt. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard. De rechtbank volgt UWV in zijn nadere opvatting dat de IVA-uitkering geen betrekking heeft op de bedongen arbeid van werkneemster bij appellante en appellante zich daarom niet met succes kan beroepen op artikel 7:629, vijfde lid, van het BW.

De Raad oordeelt als volgt. In artikel 52, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald op welke wijze inkomen in mindering wordt gebracht op een IVA-uitkering. Op grond van artikel 52, vierde lid, van de Wet WIA is bij het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Inkomensbesluit) bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. In artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit is neergelegd dat het loon dat door de werkgever wordt betaald niet als inkomen wordt aangemerkt, indien sprake is van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van die wet. Dit is een uitzondering van de hoofdregel dat bij samenloop tussen een WIA-uitkering en loon of loondoorbetaling bij ziekte, het loon gedeeltelijk wordt verrekend met de WIA-uitkering. De ratio van deze uitzondering is dat ingevolge voornoemde hoofdregel de aanspraak op loondoorbetaling zou prevaleren, waardoor de hoogte van de IVA-uitkering nul zou bedragen. Dit is uiteraard niet de bedoeling, zo volgt uit de nota van toelichting bij het Inkomensbesluit. In zijn uitspraak van 28 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3741) oordeelde de Raad dat uit het oogpunt van de bedoeling van de uitzonderingsbepaling niet viel in te zien dat, vanaf het moment waarop vaststaat dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, voor het laten prevaleren van de IVA-uitkering boven de loondoorbetaling rechtens en feitelijk verschil bestaat tussen de situatie waarin de IVA-uitkering met een verkorte wachttijd is toegekend en de situatie waarin de IVA-uitkering zonder wachttijd is toegekend. In de artikelsgewijze toelichting was volgens de Raad voor dit onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardiging te lezen. Ook UWV had geen rechtvaardiging hiervoor gegeven. Om die reden moest ook in de situatie waarin de IVA-uitkering niet is toegekend met een verkorte wachttijd, maar zonder wachttijd, vanaf het moment van toekenning gelijk behandeld worden als de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit, omschreven situatie. Hoewel die uitspraak zag op het met ingang van 1 maart 2012 ingetrokken Inkomensbesluit Wet WIA, geldt hetzelfde in onderhavig geval. De Raad stelt vast dat de tekst van artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit gelijk is aan de tekst van het in de aangehaalde uitspraak aan de orde zijnde artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit Wet WIA. Er is geen aanleiding om in de onderhavige zaak anders te overwegen dan in de aangehaalde uitspraak. Dat betekent dat ook in de onderhavige zaak de IVA-uitkering, waarvoor werkneemster zonder wachttijd in aanmerking is gebracht, vanaf 25 mei 2013 gelijk moet worden behandeld als de in dit geval in artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit omschreven situatie. Het oordeel van de rechtbank dat appellante geen beroep toekomt op artikel 7:629, vijfde lid, van het BW en dat de WIA-uitkering van werkneemster correct is berekend, is onjuist.