Rechtspraak
Werkneemster is als kantoormedewerker/administratief medewerker werkzaam bij appellante in een urenomvang van 32 uur per week. In september 2013 meldt zij zich ziek. In november 2014 meldt de bedrijfsarts dat in zijn ogen sprake is van een arbeidsconflict, zodat de bedrijfsarts een interventieperiode van twee weken adviseert waarin werkneemster met werkgever in gesprek gaat over een oplossing van het conflict. Na de interventieperiode wordt werkneemster in staat geacht om te hervatten in aangepaste werkzaamheden voor 3x2 uur per week. Naar aanleiding van voornoemd advies voeren werkneemster en appellante op 2 december 2014 een gesprek, waarin wordt afgesproken dat werkneemster in afwijking van het advies van de bedrijfsarts in 4x3 uur per week zal hervatten. Op 5 december 2014 valt werkneemster uit. Hoewel de arbeidsdeskundige adviseert om strikt de adviezen van de bedrijfsarts te gaan opvolgen teneinde latere sancties van UWV te voorkomen, gaat appellante hier niet in mee, nu dit niet georganiseerd zou kunnen worden. Werkneemster vraagt op 12 januari 2015 een deskundigenoordeel aan over de re-integratie-inspanningen van appellante. De re-integratie-inspanningen van appellante zijn door UWV duidelijk onvoldoende geacht. Op 16 juni 2015 vraagt werkneemster een WIA-uitkering aan. UWV heeft geoordeeld dat appellante niet voldoende heeft gedaan om werkneemster te re-integreren en heeft appellante een loonsanctie van 52 weken opgelegd. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Centraal staat de vraag of UWV terecht heeft geoordeeld dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De Raad beantwoordt die vraag met de rechtbank bevestigend. Volgens de Beleidsregels dient er na de eerstejaarsevaluatie weliswaar aandacht te zijn voor het tweede spoor, maar dat betekent niet dat eventuele mogelijkheden in het eerste spoor vanaf dan niet langer dienen te worden benut. UWV heeft met juistheid geconcludeerd dat dit laatste onvoldoende is gebeurd. Vaststaat dat het advies van de bedrijfsarts om eerst te komen tot een oplossing van het arbeidsconflict, waarna werkneemster zou kunnen hervatten voor 3x2 uur per week, niet is nageleefd. Werkneemster heeft meteen in werkzaamheden hervat voor 4x3 uur per week en is zeer kort daarna weer uitgevallen. Hierna is de re-integratie in het eerste spoor volledig stopgezet. UWV heeft dat terecht voorbarig geacht. Voor zover het kennelijke arbeidsconflict de hervatting heeft bemoeilijkt, had het in de rede gelegen stappen te zetten om te komen tot conflictoplossing, zoals het opstarten van mediation. Voor zover, zoals appellante nu stelt, onwil aan de zijde van werkneemster het re-integratieproces zou hebben bemoeilijkt, wijst de Raad op de sanctiemogelijkheden om werkneemster alsnog tot meewerken te bewegen. Een en ander is door appellante niet benut. De conclusie van UWV dat re-integratiekansen zijn gemist, wordt derhalve onderschreven. Het hoger beroep faalt.