Rechtspraak
Werkneemster werkt vanaf 1 oktober 1992 in dienst van betrokkene, laatstelijk in de functie van [functie A] voor 32 uur per week bij een gezinsvervangend tehuis voor mensen met een verstandelijke beperking. Deze functie is fysiek en psychisch belastend. Werkneemster valt op 24 juni 2013 uit als gevolg van lichamelijke klachten. In de zomer van 2013 krijgt zij ook psychische klachten, die haar belemmeren weer te beginnen met haar werkzaamheden. Ten tijde van de zogenoemde Eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak WIA op 24 juni 2014 stellen betrokkene en werkneemster vast dat werkneemster nog niet werkt en conform het advies van de bedrijfsarts ook nog niet in staat is om te werken. Op 9 oktober 2014 ziet de bedrijfsarts werkneemster weer op een spreekuur. Hij constateert dat de psychische belastbaarheid van werkneemster nog zeer beperkt is en legt haar beperkingen vast in een belastbaarheidsprofiel zodat een arbeidskundig onderzoek kan worden ingesteld naar passende arbeidsmogelijkheden voor werkneemster. Op verzoek van betrokkene oordeelt ook de arbeidsdeskundige dat er voor werkneemster op grond van haar beperkingen geen mogelijkheden zijn, niet in haar eigen eventueel aan te passen functie, niet in een andere functie bij betrokkene en niet buiten de organisatie van betrokkene. Werkneemster vraagt op 25 maart 2015 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan. De verzekeringsarts is blijkens een rapport van 24 april 2015 van mening dat de bedrijfsarts ten onrechte, na overleg met de arbeidsdeskundige, alsnog heeft geconcludeerd dat werkneemster niet beschikte over benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft de begeleiding door de bedrijfsarts niet adequaat geacht omdat de bedrijfsarts interventies achterwege heeft gelaten, gericht op medicatiegebruik en het laten verrichten van een expertise. UWV legt een loonsanctie op. De rechtbank verklaart het beroep van betrokkene gegrond. De rechtbank is van mening dat de bedrijfsarts niet kan worden verweten dat hij niet heeft geïntervenieerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie aan betrokkene heeft UWV verwezen naar een rapport van zijn arbeidsdeskundige van 12 mei 2015. Uit dat rapport blijkt duidelijk dat betrokkene wordt verweten dat zij onvoldoende aan re-integratie heeft gedaan omdat ten onrechte is aangenomen dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had en omdat sprake was van inadequate begeleiding door de bedrijfsarts. UWV heeft gelijk als het vaststelt dat de rechtbank alleen het aspect van de gestelde inadequate begeleiding heeft beoordeeld en niet het andere verwijt. UWV heeft terecht aangevoerd dat het beide aspecten ook ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit en dat de rechtbank daarom beide aspecten had moeten beoordelen. Het hoger beroep slaagt. Vervolgens moet worden beoordeeld of UWV terecht aan betrokkene een loonsanctie heeft opgelegd op de grond dat betrokkene er ten onrechte van is uitgegaan dat werkneemster niet beschikte over arbeidsmogelijkheden. De vraag of betrokkene redelijkerwijze heeft kunnen afzien van het verrichten van re-integratieactiviteiten wordt bevestigend beantwoord. Vanaf het uitbrengen door de arbeidsdeskundige van Advize van zijn advies heeft de bedrijfsarts consistent bericht aan betrokkene dat werkneemster geen arbeidsmogelijkheden had. Deze berichtgeving was in lijn met het goed onderbouwde advies van de genoemde arbeidsdeskundige en was conform het beeld dat betrokkene ook zelf had van werkneemster. Het standpunt van de bedrijfsarts was ook niet in strijd met het beeld dat uit het rapport van de verzekeringsarts naar voren komt over werkneemster. De opgelegde loonsanctie berust niet op een deugdelijke motivering.