Rechtspraak
Appellant treedt op 28 november 2012 bij werkgeefster in dienst. Op 8 mei 2013 meldt appellant zich ziek. Op 21 juni 2013 wordt appellant op staande voet ontslagen omdat hij goederen van werkgeefster zou hebben ontvreemd. In augustus 2013 vraagt appellant een ZW-uitkering aan, die door UWV wordt afgewezen. Op verzoek van appellant beziet UWV in het voorjaar van 2015 alsnog of appellant recht heeft op een ZW-uitkering. Bij besluit van 10 september 2015 bepaalt UWV dat de ZW-uitkering niet wordt uitbetaald, omdat werkgeefster het dienstverband heeft beëindigd toen appellant ziek was, hij zich daarbij heeft neergelegd en niet al het mogelijke heeft gedaan om zijn baan te behouden. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 45 lid 1 sub j ZW bepaalt dat UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen (hierna: benadelingshandeling). Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van de werkgever op grond van artikel 7:629 BW, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. Appellant is op staande voet ontslagen omdat hij goederen van werkgeefster zou hebben ontvreemd. Werkgeefster heeft daarvan aangifte gedaan. In de daaropvolgende strafzaak is appellant van het hem tenlastegelegde vrijgesproken. Kort na het ontslag op staande voet heeft appellant de vernietigbaarheid daarvan ingeroepen. Appellant heeft deze procedure op advies van zijn toenmalige advocaat echter niet voortgezet omdat eerst de uitkomst van de strafzaak zou worden afgewacht. Later heeft appellant werkgeefster alsnog gedagvaard, waarbij partijen ter zitting tot een vaststellingovereenkomst zijn gekomen en waarbij appellant heeft berust in de beëindiging van het dienstverband. Werkgeefster heeft daarbij een bedrag van € 1.250 netto aan achterstallig loon en andere bedragen tot 21 juni 2013 aan appellant betaald. Door aldus te handelen heeft appellant loonaanspraken prijsgegeven en niet alle juridische mogelijkheden benut. Appellant heeft daarbij bewust gehandeld. Dat het niet mogelijk zou zijn geweest om hangende de strafzaak tevens de werkgeefster aan te spreken op het nakomen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen, is niet gebleken. Voor zover appellant betoogt dat hij heeft gehandeld op advies van zijn gemachtigde, doet dat niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Het hoger beroep faalt.