Naar boven ↑

Rechtspraak

Uit het belastende karakter van de loonsanctie vloeit voort dat het aan het UWV is om aannemelijk te maken dat zich na de afgifte van het deskundigenoordeel veranderingen in de medische situatie van werknemer hebben voorgedaan. Vastgesteld wordt dat UWV in dat aannemelijk maken niet is geslaagd.

Werknemer is in dienst van appellante in de functie van operator voor gemiddeld 36 uur per week. Op 19 maart 2014 meldt hij zich ziek. Gedurende het eerste ziektejaar ziet de bedrijfsarts geen benutbare mogelijkheden bij de werknemer. Er vinden daarom in dat jaar geen re-integratie-inspanningen plaats. Appellante vraagt op 16 juli 2015 een deskundigenoordeel aan. Bij brief van 28 juli 2015 stuurt het UWV appellante een rapport van een arbeidsdeskundige van gelijke datum toe met de conclusie dat de door appellante tot dan toe uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende zijn. In dat rapport vermeldt de arbeidsdeskundige dat zij overleg heeft gevoerd met een verzekeringsarts en dat deze verzekeringsarts het medisch gezien plausibel acht dat de bedrijfsarts tot heden geen benutbare mogelijkheden ziet voor arbeid en re-integratie. Op 22 december 2015 verzoekt werknemer om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 18 februari 2016 legt UWV een loonsanctie op, omdat volgens UWV de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en voor dat verzuim een deugdelijke grond ontbreekt. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat er na de ziekmelding op 19 maart 2014 nimmer reële mogelijkheden hebben bestaan voor werknemer om re-integratie-activiteiten te verrichten. Dit is in het deskundigenoordeel van 28 juli 2015 door UWV bevestigd. De belastbaarheid van werknemer is na het deskundigenoordeel niet veranderd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2439) mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest. Het deskundigenoordeel betreft een momentopname. Hierdoor is er in ieder geval geen ruimte meer om appellante het verwijt van het hebben verricht van onvoldoende re-integratie-inspanningen te maken voor zover het de periode tot 28 juli 2015 betreft. Dat wordt niet anders door het feit dat werknemer in het kader van het deskundigenoordeel niet in persoon is gezien door een verzekeringsarts. Dat betreft immers een keuze van UWV, die appellante niet kan worden tegengeworpen. Wat betreft de periode na genoemde datum is het volgende van belang. Het deskundigenoordeel van 28 juli 2015 berust met name op de daarin uitdrukkelijk opgenomen vaststelling dat het medisch plausibel is te achten dat de bedrijfsarts geen benutbare mogelijkheden heeft gezien. Appellante heeft mogen aannemen dat zo lang de medische situatie van werknemer ongewijzigd zou blijven, het bij het deskundigenoordeel over die medische situatie ingenomen standpunt van kracht zou blijven. Uit het belastende karakter van de loonsanctie vloeit voort dat het aan UWV is om aannemelijk te maken dat zich na de afgifte van het deskundigenoordeel veranderingen in de medische situatie van werknemer hebben voorgedaan (zie: uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2414). Vastgesteld wordt dat UWV in dat aannemelijk maken niet is geslaagd. De loonsanctie kan dus geen stand houden.