Naar boven ↑

Rechtspraak

Toepassing ‘Beoordelingskader voor de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ leidt tot de conclusie dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

Appellant meldt zich op 7 maart 2014 vanuit een WW-situatie ziek, waarop UWV appellant een ZW-uitkering toekent. Op 16 november 2015 vraagt appellant een WIA-uitkering aan. Gelet op de bij appellant aanwezige beperkingen en het beperkte opleidingsniveau (niveau 1) kan de arbeidsdeskundige geen functies duiden en concludeert deze dat appellant per einde wachttijd voor 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij besluit van 11 januari 2016 brengt UWV appellant met ingang van 4 maart 2016 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij wordt vastgesteld dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 januari 2016, en heeft gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid tevens duurzaam is, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering. UWV heeft vervolgens bij besluit van 12 mei 2016 het bezwaar van appellant gegrond verklaard en appellant met ingang van 4 maart 2016 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 67,28%. Het beroep van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 7:11 lid 1 Awb bepaalt dat, indien een bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of, nu in bezwaar uitsluitend is aangevoerd dat de vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is, UWV buiten de grondslag van het bezwaar is getreden door ook de arbeidskundige beoordeling te heroverwegen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De heroverweging in bezwaar is slechts in die zin beperkt dat onderdelen van het bestreden besluit die geheel los van het aangevoerde bezwaar staan, in beginsel buiten beschouwing blijven en dat er een verbod van reformatio in peius geldt. Een besluit op grond van de Wet WIA zoals hier aan de orde, kent echter één ondeelbaar rechtsgevolg: het gaat om toekenning van een uitkering met inachtneming van een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage, of om weigering van een uitkering. Zo’n besluit is dus niet op te delen in van elkaar te onderscheiden besluitonderdelen. Ook het verbod van reformatio in peius maakt niet dat in dit geval niet de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in de heroverweging mocht worden betrokken. Op de primaire grondslag slaagt het hoger beroep dus niet. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat het opleidingsniveau in bezwaar ten onrechte is gewijzigd in opleidingsniveau 2. Daarin wordt appellant wel gevolgd. Vast staat dat appellant het basisonderwijs niet heeft voltooid. Anders dan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, en met de arbeidsdeskundige in de primaire fase, ziet de Raad geen reden om het opleidingsniveau in dit geval hoger dan op niveau 1 vast te stellen. In zoverre slaagt het hoger beroep dus. Uitgaande van opleidingsniveau 1 zoals dat was vastgesteld door de primaire arbeidsdeskundige, zijn de in bezwaar alsnog geselecteerde functies niet geschikt voor appellant en is sprake van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Gezien de verwachtingen omtrent de verbetering van de belastbaarheid, geldt dat appellant met ingang van 4 maart 2016 recht heeft op een IVA-uitkering.