Naar boven ↑

Rechtspraak

Beëindiging WW-uitkering in verband met verblijf in het buitenland. Dat appellant door omstandigheden genoodzaakt was om de woning in Duitsland te accepteren en dat deze verhuizing voor appellant geen wezenlijke wijziging in zijn leven met zich bracht, maakt niet dat niet gesproken kan worden van verblijf in het buitenland.

UWV brengt appellant met ingang van 1 juni 2015 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De WW-uitkering is beëindigd per 2 mei 2016 in verband met werkhervatting. Naar aanleiding van een aantal fraudemeldingen is UWV een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte WW-uitkering. In het kader van dit onderzoek wordt appellant op 25 juli 2016 gehoord. De bevindingen van dit onderzoek staan vermeld in een onderzoeksrapport van 4 augustus 2016. Uit het onderzoek komt onder meer naar voren dat appellant van 1 maart 2016 tot de beëindiging van zijn WW-uitkering anders dan wegens vakantie in het buitenland, in Duitsland, heeft verbleven en dit niet heeft gemeld bij UWV. Appellant stond in die periode in de Basisregistratie Personen (BRP) wel ingeschreven op een adres in [woonplaats]. Per 1 augustus 2016 is appellant weer teruggekeerd naar [woonplaats]. UWV herziet bij besluit van 2 februari 2017 de WW-uitkering van appellant met ingang van 29 februari 2016 en vordert over de periode van 29 februari 2016 tot en met 1 mei 2016 een bedrag van € 2.912,80 aan ten onrechte betaalde WW-uitkering van appellant terug. Aan de herziening van de WW-uitkering ligt ten grondslag dat appellant van 1 maart 2016 tot 2 mei 2016 buiten Nederland verbleef anders dan wegens vakantie.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Bij de beantwoording van de vraag waar iemand woont of verblijf houdt, is het uitgangspunt dat de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn en niet de inschrijving in de BRP. Het formele feit dat een persoon op een bepaald adres staat ingeschreven brengt immers niet mee dat daarmee is gegeven dat die persoon ook feitelijk op dat adres woont of verblijf houdt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:4403). UWV heeft, anders dan appellant heeft gesteld, met de tijdens onderzoek verkregen informatie over appellants verblijf in het buitenland aan de last om informatie te vergaren voldaan. Uit de feiten volgt dat appellant niet voor vakantie naar Duitsland is gegaan, maar om daar voor zolang als nodig is te verblijven, zoals appellant in het gesprek van 25 juli 2016 tegenover een inspecteur van UWV heeft verklaard. Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding niet over woonruimte in Nederland beschikte, dat hij dagelijks in de woning in Duitsland verbleef, daar sliep en zijn kinderen op vaste dagen per week ontving. Er was daarom sprake van verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW. Dat appellant door omstandigheden genoodzaakt was om de woning in Duitsland te accepteren en dat deze verhuizing voor appellant geen wezenlijke wijziging in zijn leven met zich bracht omdat de woning vlak over de grens met Nederland lag, maakt niet dat niet gesproken kan worden van verblijf in het buitenland.

Voorop wordt gesteld dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW een dwingendrechtelijke bepaling is die geen ruimte biedt om bij de toepassing ervan rekening te houden met de individuele omstandigheden en de redenen waarom appellant buiten Nederland heeft verbleven. Dit neemt niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Daarvan is geen sprake. Ook staat Verordening (EG) nr.  883/2004 niet aan de herziening van de WW‑uitkering in de weg. Daartoe wordt overwogen dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in de artikelen 64 en 65 van Verordening (EG)  883/2004. Voor zover appellant gedurende zijn feitelijk verblijf in Duitsland zijn woonplaats in Nederland heeft behouden en dat dus ook het centrum van zijn belangen zich in Nederland bevond, sluit deze omstandigheid volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet uit dat een betrokkene tegelijkertijd een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3913. Het hoger beroep slaagt niet.