Naar boven ↑

Rechtspraak

Loonsanctie terecht opgelegd. De bedrijfsarts heeft de belastbaarheid niet juist vastgesteld.

Werknemer werkt vanaf 2001 in dienst van appellante in de functie van systeembeheerder voor 40 uur per week. Werknemer valt op 29 juni 2015 uit voor deze functie wegens een progressieve achteruitgang van cognitieve functies en het ontbreken van belastbaarheid. Blijkens de eerstejaarsevaluatie hervat werknemer met ingang van augustus 2015 voor 20 uur per week in aangepaste werkzaamheden. Vanaf 26 april 2016 wordt het tweede spoor ingezet. Op verzoek van de bedrijfsarts van appellante heeft Ergatis B.V. (Ergatis) op 5 juli 2016 een rapport over de gezondheidstoestand van werknemer uitgebracht dat is gebaseerd op arbeidsgeneeskundig, psychiatrisch en aanvullend neuropsychologisch onderzoek. Vervolgens verricht ArboNed een arbeidskundig re-integratieonderzoek. Bij rapport van 17 september 2016 is die arbeidsdeskundige – op basis van de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen van 5 juli 2016 – tot de conclusie gekomen dat werknemer niet geschikt is voor het eigen werk noch ander werk bij de eigen werkgever, dat het eigen werk niet passend te maken is en werknemer niet geschikt is voor passende arbeid op de arbeidsmarkt. Op 3 oktober 2016 wordt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd aan gevraagd. De aanvraag wordt afgewezen vanwege duurzame benutbare mogelijkheden. Werknemer vraagt op 23 maart 2017 een WIA-uitkering per einde wachttijd aan. De verzekeringsarts concludeert dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden niet adequaat heeft ingeschat, omdat daarbij is uitgegaan van twee verschillende belastbaarheden. Appellante is wat de re-integratie-inspanningen betreft uitgegaan van de FML zoals vastgelegd door de bedrijfsarts en ten onrechte niet van de FML van Ergatis. In deze lijst van de bedrijfsarts zijn meer beperkingen opgenomen dan in de FML van Ergatis. UWV legt een loonsanctie op. Appellante stelt zonder succes bezwaar en beroep in. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat ten onrechte een loonsanctie is opgelegd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft terecht aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de re‑integratie‑activiteiten van appellante te beperkt zijn geweest, omdat is uitgegaan van een verkeerde belastbaarheid. De bedrijfsarts heeft in juli 2016 door het aannemen van meer beperkingen een belastbaarheid van werknemer vastgesteld die niet in overeenstemming was met de door Ergatis vastgestelde belastbaarheid. Het daarop in het najaar van 2016 verrichte arbeidskundig onderzoek heeft op grond van de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid tot de conclusie geleid dat bij werknemer geen sprake is van reële arbeidsmogelijkheden. In het kader van de WIA-aanvraag met verkorte wachttijd had de verzekeringsarts al te kennen gegeven dat de bedrijfsarts de belastbaarheid niet juist had vastgesteld. In plaats van de arbeidsmogelijkheden van werknemer te heroverwegen, is appellante overgegaan tot het in gang zetten van een tweedespoortraject waarbij is uitgegaan van die onjuiste belastbaarheid. Juist is het standpunt van het UWV dat van appellante had mogen worden verwacht dat zij na de afwijzing van de WIA-aanvraag met verkorte wachttijd met de bedrijfsarts dan wel de werknemer in overleg zou treden, om op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts een plan op te stellen dat is gericht op de in de re‑integratie te maken stappen. Nu appellante dat heeft nagelaten en zij verantwoordelijk is voor de gang van zaken, heeft UWV appellante terecht een loonsanctie opgelegd.