Rechtspraak
werkneemster/werkgever
Werkneemster is op 21 september 2006 als telefoniste in dienst getreden bij Connexxion Taxi Services B.V. (hierna: Connexxion) voor de duur van een jaar en met een arbeidsomvang van 24 uur per week. Deze overeenkomst is tweemaal voor bepaalde tijd verlengd, laatstelijk tot en met 31 maart 2008. Werkneemster werd vooral ingeroosterd voor Wmo-vervoer, welke activiteit de gemeente Leeuwarden via aanbesteding aan Connexxion had gegund tot en met 31 maart 2008. Op 15 februari 2008 heeft de gemeente dit vervoer definitief met ingang van 1 april 2008 gegund aan X. Werkneemster is met ingang van 1 april 2008 voor de duur van één jaar als telefoniste bij X in dienst getreden, eveneens voor 24 uur per week, met dien verstande dat haar andere werkzaamheden konden worden opgedragen. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot en met 30 september 2009, waarna X niet verder wenste te verlengen. In de feitelijke instanties stond de vraag centraal of werkneemster krachtens artikel 7:668a lid 2 BW dan wel krachtens artikel 7:663 jo. 7:668a lid 1 BW voor onbepaalde tijd in dienst is getreden van X. Het Hof Leeuwarden oordeelde dat artikel 7:663 BW toepassing mist, omdat werkneemster ten tijde van de overgang niet in dienst van de vervreemder was. Met betrekking tot artikel 7:668a BW oordeelde het hof dat geen sprake is van opvolgend werkgeverschap, omdat van enige band tussen oude en nieuwe werkgever – anders dan dat zij elkaars concurrenten zijn – niet is gebleken.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het oordeel van het hof dat werkneemster ten tijde van de overgang (1 april 2008) niet langer in dienst was van Connexxion, zodat artikel 7:663 BW toepassing mist, is juist. Met betrekking tot artikel 7:668a BW oordeelt de Hoge Raad als volgt. Bij de uitleg van deze bepaling dient aansluiting te worden gezocht bij de in het licht van het Europese recht ook thans nog juist te achten maatstaf die de Hoge Raad in zijn arrest van 24 oktober 1986, LJN AC9537, NJ 1987, 293 heeft ontwikkeld met het oog op de beantwoording van de vraag, kort gezegd, of een proeftijdbeding rechtsgeldig is in geval van rechtsopvolging aan de zijde van de werkgever. Het gaat in de onderhavige zaak immers om dezelfde afweging van belangen die aan de orde was in het arrest van 24 oktober 1986. Dit betekent dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Tegen deze achtergrond heeft het hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat werkneemster na indiensttreding bij X dezelfde (vervoers)werkzaamheden is blijven verrichten voor dezelfde doelgroep als zij voorheen in dienst van Connexxion verrichtte, onvoldoende is om opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW aan te nemen. Eveneens terecht heeft het hof geoordeeld dat het feit dat X en Connexxion niets anders met elkaar van doen hebben dan dat zij elkaars concurrent zijn, aan toepasselijkheid van deze bepaling in de weg staat, nu is gesteld noch gebleken dat X langs andere weg inzicht had in de hoedanigheden en geschiktheid van werkneemster, of dat X in enig opzicht heeft getracht misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen haarzelf en Connexxion.