Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/CSU Cleaning Services Noord B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 mei 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:1543

werknemer/CSU Cleaning Services Noord B.V.

Uitleg ‘qua deskundigheid wezenlijk deel van het personeel’ bij overgang van onderneming. Het overnemen van zes voormannen en daar zelf drie aan toevoegen na de overgang impliceert een relatief sterk aanwezige deskundigheid van het overgenomen personeel

(Vervolg op AR 2012-1080.) Werknemer is op 27 augustus 2001 als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud (schoonmaker) in dienst getreden van Hago Nederland B.V. (hierna: Hago) op het object Regiopolitie Amsterdam-Amstelland voor (stelling werknemer) 17,5 uur per week. Daarnaast had werknemer een dienstverband bij een ander schoonmaakbedrijf voor 38 uur per week. Per 1 januari 2007 verricht CSU – als gevolg van een contractswisseling na heraanbesteding – op het object de schoonmaakwerkzaamheden die voordien door Hago en door het schoonmaakbedrijf SGA werden verricht. CSU heeft werknemer een arbeidsovereenkomst voor 2 uur per week aangeboden. Werknemer heeft zich op enig moment op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op 17,5 uur werk en vordert loon krachtens artikel 7:662 BW dan wel artikel 50 CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Bij tussenarrest van 13 november 2012 heeft het hof geoordeeld dat vaststaat dat een groot deel van het personeel mee is overgegaan en dat de werkzaamheden min of meer gelijk zijn gebleven. De centrale vraag die nog beantwoord moest worden is of ook sprake is van een ‘qua deskundigheid (leidinggevenden) wezenlijk deel van het personeel’ is overgegaan.

Het hof oordeelt thans als volgt. CSU heeft niet concreet aangegeven (met name aan de hand van personeelslijsten) hoeveel, en welke, leidinggevenden en/of meewerkend voormannen (met naam en toenaam) vóór 1 januari 2007 op het object werkzaam waren en welke van deze leidinggevenden en/of meewerkend voormannen nadien op het object werkzaam zijn gebleven, hoewel dit – gelet op de stellingen van werknemer op dit punt en het feit dat zij bij uitstek in staat was daaromtrent duidelijkheid te verschaffen – op haar weg had gelegen. Het hof acht daarom de stellingen van CSU op dit punt in belangrijk opzicht te vaag en te algemeen en daarom onvoldoende concreet onderbouwd, zodat het hof dit verweer van CSU passeert. Daar komt nog bij dat CSU zelf heeft gesteld dat zij wél zes meewerkend voormannen heeft overgenomen en dat, als feitelijk juist is dat slechts drie nieuwe objectleiders/rayonleiders na 1 januari 2007 op het object werkzaam zijn, dit aantal in relatie tot het (vele malen grotere) aantal op zichzelf reeds tamelijk deskundige (want op het object ten minste reeds anderhalf jaar werkzame) schoonmaakmedewerkers te gering is om daaraan ingrijpende gevolgen te verbinden. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW, zodat werknemer op grond van artikel 7:663 BW per 1 januari 2007 voor de volledige arbeidsomvang waarvoor hij bij Hago in dienst was bij CSU in dienst is.