Naar boven ↑

Rechtspraak

Vereniging Laurentius/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 27 september 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:6796

Vereniging Laurentius/werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst directeur financiën en vastgoedprojecten Laurentius. Beide partijen hebben verwijtbaar gehandeld. Hoewel WNT niet rechtstreeks van toepassing is, dient hiermee wel rekening te worden gehouden. Vergoeding € 75.000

Werknemer is in 1981 bij Laurentius in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam geweest als (titulair) directeur financiën en vastgoedprojecten. Op 21 mei 2012 is de statutair bestuurder van Laurentius gearresteerd op verdenking van onder meer fraude en oplichting. Op 20 september 2012 is werknemer geschorst en is hem een contactverbod opgelegd. De vordering tot wedertewerkstelling is op 10 oktober 2012 toegewezen (zie AR 2012-0905). Op 23 oktober 2012 is werknemer op staande voet ontslagen. Aan het ontslag wordt ten grondslag gelegd dat werknemer zijn (machts)positie heeft misbruikt, dat werknemer werknemers van Laurentius door zijn handelen en woorden heeft geïntimideerd en gemanipuleerd, dat hij werknemers van Laurentius op een zodanige wijze heeft benaderd die zij (zelfs) als bedreigend en beangstigend hebben ervaren en dat werknemer het forensisch onderzoek heeft gefrustreerd, althans heeft geprobeerd te frustreren, door werknemers voor te houden hoe zij zich bij gesprekken met de forensisch onderzoekers dienden op te stellen en wat zij wel en niet zouden mogen zeggen. De door werknemer ingestelde loonvordering is in eerste aanleg afgewezen (zie AR 2012-1105). Het Hof Den Bosch heeft de loonvordering toegewezen (zie AR 2013-0233). Thans verzoekt Laurentius ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft een tegenverzoek ingediend.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel werknemer niet altijd integer heeft gehandeld (zoals ten aanzien van de aanschaf van een camera en televisie en het tekenen van niet-onderbouwde declaraties) en hem diverse verwijten kunnen gemaakt (zoals het niet op orde hebben van het projectdossier), is geen sprake van een dringende reden. Wel is sprake van veranderingen in omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Gelet op de niet-integere handelswijze van werknemer, de aan hem te maken verwijten aangaande de aanschaf van de camera en de televisie, het tekenen van de declaraties van zijn collega-directeur, de oneigenlijke post in de begroting, de dubieuze facturering en het project X, is aannemelijk dat Laurentius het vertrouwen in werknemer als directeur financiën en vastgoed heeft verloren. Werknemer kan daarvan een verwijt worden gemaakt. Zoals Laurentius heeft aangevoerd, behoefde voor dergelijk ‘disfunctioneren’ geen gelegenheid tot verbetering te worden geboden nu van een directeur financiën en vastgoedprojecten – een zware functie, zoals ook blijkt uit het daarvoor toegekende maandsalaris dat, nog exclusief toeslagen, ruim € 10.000 bruto bedraagt – mag worden verwacht dat hij over de essentiële eigenschappen beschikt om die functie op integere wijze uit te oefenen en voorts dat hij de verantwoordelijkheden neemt die bij zo een functie behoren.

Ten aanzien van het tegenverzoek van werknemer (op grond van een verstoorde arbeidsrelatie) wordt geoordeeld dat het niet toepassen van hoor en wederhoor door de integriteitsonderzoekers op instructie van Laurentius en door Laurentius zelf in het kader van zowel het integriteitsonderzoek als het ontslag op staande voet, onzorgvuldig en onbehoorlijk is. Vaststaat dat werknemer gedurende een zeer lange periode in onzekerheid heeft verkeerd, zonder dat Laurentius enig contact of overleg met hem had en onbetwist is dat dat een zware emotionele belasting voor hem meebracht. Aannemelijk is dan ook dat door deze handelwijze van Laurentius de arbeidsrelatie zodanig ernstig is verstoord dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan dient te worden ontbonden en dat daarvan Laurentius een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op het voorgaande wordt aan werknemer een vergoeding toegekend. Laurentius heeft zich in dat verband op de WNT beroepen. Geoordeeld wordt dat bij toekenning van een ontbindingsvergoeding de rechter niet gebonden is aan het maximum uit de WNT. Niettemin dient naar het oordeel van de kantonrechter wel rekening te worden gehouden met de uit de WNT blijkende norm, mede omdat de WNT aan kracht zou verliezen wanneer via de rechter een uitkering zou kunnen worden verkregen waarbij het in de WNT bepaalde maximum geen rol zou spelen. Volgt ontbinding onder toekenning van een vergoeding van € 75.000.