Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 september 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3928

werknemer/werkgever

Werkgeversaansprakelijkheid. In het dossier kan geen onderbouwing worden gevonden voor het standpunt dat de blootstelling aan deze mate van duw- en trekkrachten met concreet gevaar voor dergelijke rugklachten destijds aan werkgever kenbaar behoorde te zijn.

Feiten

Werknemer is sinds 1998 als vrachtwagenchauffeur in dienst bij (de rechtsvoorganger van) X. In het najaar van 1999 is werknemer diverse malen wegens rugklachten uitgevallen. Begin 2000 is werknemer definitief uitgevallen en sindsdien heeft hij bij X geen werkzaamheden meer verricht. De behandelend artsen hebben bij werknemer geen specifieke afwijkingen kunnen vaststellen die als directe oorzaak van de klachten kunnen gelden. Werknemer vordert onder meer X te veroordelen tot het vergoeden van de door hem geleden en nog te lijden schade. In het (eind)vonnis in eerste aanleg van 26 april 2012 zijn de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer op in hoger beroep. Het hof heeft bij tussenvonnis van 26 april 2016 X toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aangenomen causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsklachten. Tevens is X toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij haar zorgplicht jegens werknemer niet heeft geschonden.

Oordeel

Gegeven de door de deskundige vastgestelde werkzaamheden gaat het om de vraag of X maatregelen had moeten treffen om te voorkomen dat werknemer bij uitvoering van die werkzaamheden (lage) rugklachten zou krijgen. In concreto gaat het dan om de wijze waarop werknemer is blootgesteld aan kracht zetten, duwen en trekken en in beweging houden van de hulpmiddelen (rolcontainers en handpompwagens) die hij gebruikte bij het laden en lossen van de vrachtwagen. Ten bewijze van haar stelling dat zij haar zorgplicht jegens werknemer niet heeft geschonden, heeft X drie getuigen doen horen. De vraag ligt voor of het gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten bij werknemer als gevolg van een blootstelling aan een bepaalde mate van duw- en trekkrachten voor X destijds kenbaar was. Alleen dan kan van haar in redelijkheid worden gevergd om maatregelen te treffen ter voorkoming van dit gevaar. Het hof betrekt in de beoordeling de navolgende feiten en omstandigheden. Uit de verklaring van getuige 1 blijkt dat hij destijds niet bekend was met de Mital-normen en dat er in risico-inventarisaties daterend uit die periode geen richtlijnen stonden met betrekking tot blootstelling aan duw- en trekkrachten in relatie tot handpompwagens en rolcontainers. Het enkele feit dat een arbocoördinator of een QHSE-manager, zoals de getuige 3, niet bekend is met de Mital-normen, betekent evenwel niet dat X aan haar zorgplicht heeft voldaan althans dat zij niet nalatig is geweest met het treffen van maatregelen. Van belang is immers in hoeverre destijds algemeen bekend was dat de hier aan de orde zijnde blootstelling leidt tot lage rugklachten, althans dat de kans op het ontstaan ervan zodanig groot was dat maatregelen om dit tegen te gaan, door X moesten worden getroffen. Het hof heeft in het arrest van 3 februari 2015 aangegeven dat in het algemeen bekend is dat zwaar til- en duwwerk lage rugklachten kunnen veroorzaken. Daarmee is niet gezegd dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een blootstelling aan een zodanige mate van duw- en trekkrachten dat dit gevaar voor het ontstaan van lage rugklachten tot gevolg zou hebben en dat dit gevaar voor X destijds kenbaar was; niet iedere blootstelling aan duw- en trekkrachten levert gevaar op voor de gezondheid. In de onderhavige zaak is de mate van duw- en trekkrachten door de deskundige vastgesteld door metingen te doen aan de hand van proefopstellingen. Voor het bepalen van de duw- en trekkrachten is niet alleen van belang welk gewicht moet worden verplaatst, maar daarbij spelen ook andere factoren een rol, zoals daar bijvoorbeeld zijn de ondergrond en het gebruikte hulpmiddel. Na vaststelling van de omvang van de krachten heeft de deskundige de uitkomsten getoetst aan de Mital-normen en is hij tot de conclusie gekomen dat deze normen in een aantal situaties werden overschreden. Het hof heeft in het dossier geen onderbouwing gevonden voor het standpunt dat de blootstelling aan deze mate van duw- en trekkrachten met voormeld concreet gevaar destijds aan X kenbaar behoorde te zijn.

De Mital-normen dateren uit 1997 althans ze zijn toen in Londen gepubliceerd. Gelet op deze datum had X van het bestaan ervan op de hoogte kunnen zijn op het moment dat werknemer bij haar in dienst trad, zijnde in 1998. Gesteld noch gebleken is evenwel welk internationaal belang en welke wetenschappelijke waarde er destijds aan deze normen is gegeven. Uit het dossier blijkt slechts dat de normen in een tabel als bijlage waren opgenomen in een werk genaamd: ‘A guide to manual materials handling’.

De Mital-normen zijn gebaseerd op omvangrijk onderzoek naar de samenhang tussen duwen en trekken en het ontstaan van overmatige vermoeidheid als ongewenst direct effect op de gezondheid. In hoeverre er een (mogelijk) oorzakelijk verband bestaat tussen overschrijding van de normen en het gevaar op het ontstaan van lage rugklachten, is gesteld noch gebleken. In zoverre is er dus sprake van een ‘vaag en algemeen gevaar’ zoals door de Hoge Raad aangehaald in het arrest van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721). In een brief van de Gezondheidsraad aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 2012 reageert de raad op een vraag van de minister om advies over verschillende arbeidsomstandighedenrisico’s en biedt de raad haar advies aan over kracht zetten, duwen en trekken in werksituaties. In dit advies wordt melding gemaakt van de Mital-normen en wordt geadviseerd om deze normen te hanteren als best beschikbare instrument om zoveel mogelijk het ontstaan van nieuwe klachten te voorkomen door kracht zetten, duwen en trekken in arbeidssituaties. Uit het vorenstaande volgt dat er op nationaal niveau in ieder geval aandacht was voor de blootstelling aan de onderhavige krachten op de werkvloer, maar eerst vanaf 2012. Uit het advies blijkt voorts dat het niet mogelijk is om gezondheidskundige advieswaarden te formuleren. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beziend, wordt vastgesteld dat X niet wist en niet behoorde te weten dat de blootstelling van werknemer aan de concrete mate van duw- en trekkrachten op het werk het gevaar op het ontstaan van lage rugklachten met zich bracht. Zij heeft haar zorgplicht jegens werknemer niet geschonden. Als gevolg van voormelde conclusie ontvalt de grondslag aan de vorderingen van werknemer jegens X en heeft de kantonrechter met recht de vorderingen van werknemer afgewezen. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.