Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 december 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:5520
Compass Group Nederland Holding B.V./werknemer c.s.
Feiten
Werknemer was als huismeester in dienst van Eurest Services B.V. waarvan Compass Group Nederland Holding B.V. (hierna: Compass Group) enig aandeelhouder en bestuurder is. Werknemer is op staande voet ontslagen nadat hij postzegels die toebehoorden aan werkgever aan een postzegelhandelaar heeft verkocht en de opbrengst daarvan voor zichzelf heeft gehouden. Compass Group heeft in de onderhavige zaak in eerste aanleg onder meer gevorderd dat werknemer en de postzegelhandelaar hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade. De rechtbank heeft de vordering jegens werknemer toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Compass Group en werknemer het erover eens zijn dat werknemer onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering jegens de postzegelhandelaar is afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat hij wist of behoorde te weten dat werknemer zonder toestemming van Compass Group handelde. Omdat deze vordering niet toewijsbaar bleek, is de door de handelaar tegen werknemer ingestelde vordering in vrijwaring afgewezen. De rechtbank had bij tussenvonnis de postzegelhandelaar toegestaan werknemer in vrijwaring te dagvaarden. De handelaar heeft niet geappelleerd tegen het vonnis in de vrijwaringszaak. De handelaar voert in hoger beroep aan dat hij er recht op en belang bij heeft dat werknemer in vrijwaring wordt opgeroepen, voor het geval dat in hoger beroep de vordering van Compass Group ten aanzien van hem alsnog wordt toegewezen.
Oordeel
Volgens vaste rechtspraak is het niet mogelijk om in hoger beroep een incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen (vgl. HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7189). Om die reden kan de postzegelhandelaar niet worden ontvangen in zijn incidentele vordering. Dat werknemer ook partij is in de hoofdzaak, in eerste aanleg reeds door de handelaar in vrijwaring is opgeroepen en tegen de onderhavige incidentele vordering geen verweer heeft gevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Werknemer zou immers een instantie missen, indien de vrijwaring thans zou worden toegestaan. Omdat het vonnis in de vrijwaringszaak tussen de handelaar en werknemer geen gezag van gewijsde heeft verkregen (HR 28 april 1995, ECLI:NL:HR: 1995:ZC1719), kan de handelaar, indien daartoe aanleiding mocht bestaan, werknemer later alsnog in rechte betrekken. De postzegelhandelaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.