Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 1 november 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:4536
werknemer/de uitvaartverzorging
Feiten
Bij tussenbeschikking van 8 februari 2018 heeft het Hof Uitvaartcentrum X toegelaten te bewijzen dat coördinator van de uitvaartverzorging, coördinator X Uitvaartvervoer, in het telefoongesprek dat werknemer op de avond van 21 maart 2017 voorafgaand aan zijn bezoek aan het uitvaartcentrum met haar heeft gevoerd, werknemer heeft afgeraden een bezoek aan dat uitvaartcentrum van Y in Y te brengen om afscheid te nemen van zijn overleden vriend en hem er nadrukkelijk op heeft gewezen dat een dergelijk bezoek in overleg zou moeten plaatsvinden.
Oordeel
Het hof blijft bij hetgeen in de tussenbeschikking van 8 februari 2018 is overwogen en beslist. Het hof stelt vast dat de verklaringen van werknemer en de coördinator van de uitvaartverzorging lijnrecht tegenover elkaar staan wat betreft de inhoud van het telefoongesprek dat werknemer op de avond van 21 maart 2017 voorafgaand aan zijn bezoek aan het uitvaartcentrum van Y in Y met de coördinator van de uitvaartverzorging heeft gevoerd. Waar werknemer verklaart dat de coördinator van de uitvaartverzorging gesuggereerd heeft dat hij direct naar het uitvaartcentrum kon gaan om afscheid te nemen van zijn overleden vriend omdat hij een toegangsdruppel had en dat niet gesproken is over overleg met de familie van de overledene en/of zijn leidinggevende, heeft de coördinator van de uitvaartverzorging verklaard dat werknemer zelf heeft aangekondigd dat hij naar het uitvaartcentrum wilde gaan om afscheid te nemen van zijn overleden vriend en dat zij toen gezegd heeft dat hij eerst overleg met de ouders van de overledene of zijn leidinggevende moest hebben en dat hij daarom beter kon wachten tot de volgende dag. Beoordeeld moet dan ook worden of aan een van beide verklaringen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend. Een vriendin van werknemer (hierna: ‘de getuige’) heeft als getuige onder ede verklaard dat zij het bewuste telefoongesprek (evenals overigens het tweede telefoongesprek) van werknemer met de coördinator van de uitvaartverzorging heeft meegeluisterd, omdat de telefoon van werknemer op de luidspreker stond. Om die reden en omdat de getuige een betrouwbare en geloofwaardige indruk maakte, komt aan haar verklaring aanmerkelijke betekenis toe ter ondersteuning van de verklaring van werknemer. Aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de getuige draagt voorts bij dat werknemer en de getuige op controlevragen van de raadsheer-commissaris in gelijke zin hebben geantwoord, terwijl zij de antwoorden op deze vragen niet hebben kunnen afstemmen, nu zij beiden op 30 april 2018 zijn gehoord en er tijdens dat getuigenverhoor geen schorsing is geweest, en zij zich voorts op dit type vragen redelijkerwijs niet hebben kunnen voorbereiden. Dat de getuige een vriendin is van werknemer, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar getuigenverklaring. Anders dan werknemer en Uitvaartcentrum X heeft een vriendin van appellant geen wezenlijk belang bij de uitkomst van deze procedure. De verklaring van de coördinator van de uitvaartverzorging daarentegen staat op zichzelf. Het hof kan niet uitsluiten dat de coördinator in haar telefoongesprek met de medewerker overbrenging en verzorging bij de uitvaartverzorging en de vervoerder, overbrengen en verzorging bij de uitvaartverzorging een andere gang van zaken heeft voorgespiegeld over het met werknemer gevoerde telefoongesprek. In dit verband acht het hof van belang dat de coördinator heeft verklaard dat zij met haar mededelingen over de overledene in strijd had gehandeld met de regels bij Y. Het hof acht de verklaring van de coördinator van onvoldoende gewicht tegenover de verklaringen van werknemer en een vriendin van werknemer. Daaruit volgt dat Uitvaartcentrum X het aan haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd, waarmee in rechte de aanwezigheid van een dringende reden voor het ontslag op staande voet van werknemer niet is aangetoond. Uitvaartcentrum X heeft werknemer ten onrechte op staande voet ontslagen. Het hof acht een billijke vergoeding van € 10.000 in de gegeven omstandigheden passend. Ten aanzien van de transitievergoeding acht het hof het voldoende aannemelijk dat de psychische gesteldheid van werknemer zijn handelen in de nacht van 21 op 22 maart 2017 in negatieve zin heeft beïnvloed. Het hof acht het handelen van werknemer gelet op deze omstandigheden verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar. Uitvaartcentrum X is derhalve aan werknemer een transitievergoeding verschuldigd.