Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 9 februari 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:377
Autoster/Hendriks
(Vervolg op AR 2015-0843, AR 2014-0354 en AR 2008-0773.) Hendriks is op 22 juli 1998 een ongeval overkomen toen hij van de werkplek naar huis reed. Hij bestuurde toen een aan zijn werkgever toebehorende autoambulance. Hendriks was ten tijde van het ongeval gerechtigd over de ambulance te beschikken omdat hij toen fungeerde als nooddienstmedewerker. Een werknemer die nooddienst had, diende dag en nacht telefonisch bereikbaar te zijn en wanneer een inzet was vereist, diende hij zich met de ambulance zo spoedig mogelijk naar de plaats van inzet te begeven. Om de tijd te besparen die het zou kosten om eerst vanaf het eigen woonhuis te rijden naar de garage van Autoster, namen sommige medewerkers na afloop van hun werkzaamheden de ambulance mee naar huis. Autoster heeft daartegen in de loop der jaren nimmer bezwaar gemaakt. Ten tijde van het ongeval was geen sprake van een noodoproep. Centraal staat de vraag of Hendriks in de ‘uitoefening van zijn functie’ was ten tijde van het verkeersongeval. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het gebruik van de autoambulance op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Bij tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat niet de volledige schade (stelling Hendriks) maar de schade wegens het ontbreken van een behoorlijke verzekering voor vergoeding in aanmerking komt. Deskundigen zijn benoemd om vast te stellen of en zo ja wat een behoorlijke verzekering in 1998 was in de garagebranche. Bij een tussenarrest in 2015 is het hof nader ingegaan op de vraag of de taxibranche vergelijkbaar is met de automobielbranche en heeft die vraag ontkennend beantwoord. In een later tussenarrest van 2015 werden de vragen aangescherpt (met name door toe te voegen dat niet alleen naar de verzekeringsmogelijkheden bij Bovemij moest worden gekeken, maar ook bij andere verzekeringsmaatschappijen) en voorschot op de kosten van de deskundigen op beide partijen verhaald. In dit tussenarrest wordt de deskundige benoemd (R.B. van Beem). Bij de beantwoording van alle hiervoor geformuleerde vragen dient de deskundige antwoord te geven naar de stand van zaken kort voor de peildatum (22 juli 1998). Voorts dient de deskundige bij de beantwoording van de vragen aan te geven wat de maatschappelijke opvattingen waren over de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen in relatie tot het betreffende verzekeringsproduct, binnen het MKB en meer specifiek binnen de hier aan de orde zijnde branche, dat wil zeggen, de automobielbranche, waaronder wordt verstaan: garagebedrijven in Nederland, ongeacht in welk automerk werd gehandeld. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 10 februari 2015 het voornemen uitgesproken om het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands ten laste van beide partijen te brengen, ieder voor de helft. Hendriks heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen verzocht om zijn gedeelte van het voorschot ten laste van ’s Rijks kas te brengen. Inmiddels heeft Hendriks een toevoeging in het geding gebracht. Het hof zal daarom bepalen dat het door Hendriks te betalen gedeelte van het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zal komen. Hangende het geding wordt het ten laste van ’s Rijks kas betaalde bedrag voorlopig in debet gesteld.