Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen sprake van nawerking, aangezien werknemer niet arbeidsongeschikt was in de periode dat hij ZW-verzekerd was. Dat werknemer drager was van een gen dat een bepaalde ziekte veroorzaakt, maakt dat niet anders.

Appellant was van 31 mei 2013 tot en met 10 oktober 2013 werkzaam en is kort daarna geƫmigreerd naar Indonesiƫ. Op 28 januari 2014 meldt appellant zich ziek met ingang van 1 december 2013 met klachten voortkomend uit de ziekte van Huntington. Nadien geeft appellant te kennen dat deze klachten al vanaf 1 november 2013 aanwezig waren. UWV stelt bij besluit van 13 februari 2014 vast dat appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat de ZW-verzekering van appellant eindigde op 10 oktober 2013 en appellant niet binnen vier weken na afloop van deze verzekering ziek is geworden. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard. De rechtbank neemt in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van informatie van de laatste werkgever van appellant geen enkele reden zag om te veronderstellen dat appellant in de uitoefening van zijn laatste werk beperkingen ondervond. Verder acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep na onderzoek heeft gesteld dat er geen gegevens zijn die wijzen op ziekte of arbeidsongeschiktheid per 1 december 2013 of eerder. Dat appellant drager is van het gen dat de ziekte van Huntington veroorzaakt, maakt niet dat hij op 1 december 2013 of eerder dusdanige beperkingen ondervond door deze ziekte dat hij per 1 december 2013 of eerder arbeidsongeschikt moet worden geacht voor zijn werk. Omdat uit de informatie van de behandelend sector geen gegevens naar voren zijn gekomen die wijzen op arbeidsongeschiktheid, heeft de rechtbank de handelswijze van UWV om appellant niet in persoon door een verzekeringsarts te laten onderzoeken, niet onzorgvuldig geacht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is of appellant binnen vier weken nadat hij op 11 oktober 2013 uit dienst is gegaan en er een einde is gekomen aan zijn verzekering, ziek is geworden. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen begin van bewijs is voor arbeidsongeschiktheid in de in het geding van belang zijnde periode. Er is evenmin een aanwijzing dat de ziekte van Huntington zich bij appellant in de in geding zijnde periode geopenbaard heeft. Evenmin als de rechtbank wordt getwijfeld aan de door werkgever verstrekte informatie over het (goede) functioneren van appellant op zijn werk. Dit betekent dat niet is gebleken dat appellant in de voor de ZW-verzekerde periode arbeidsongeschikt was. Het hoger beroep slaagt niet.