Rechtspraak
Appellante werkt vanaf 1996 als reclasseringsmedewerkster in dienst van belanghebbende. Op 1 juni 2010 meldt zij zich ziek vanwege pijnlijke voeten. Op 3 maart 2012 vraagt appellante een WIA-uitkering aan. UWV legt aan belanghebbende, vanwege tekortschieten in haar re-integratie-inspanningen, een loonsanctie op tot 21 april 2013. Bij besluit van 24 april 2013 stelt UWV vast dat voor appellante met ingang van 21 april 2013 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Appellante wordt in enige mate psychisch beperkt geacht voor werkzaamheden met veelvuldige deadlines en productiepieken en er zijn enkele fysieke beperkingen voor haar geformuleerd. Volgens de arbeidsdeskundige is zij als gevolg van de psychische beperking niet geschikt voor haar functie in de volle omvang. Omdat zij haar werk wel voor 70% kan verrichten is zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt en heeft zij geen recht op een WIA-uitkering. UWV verklaart het hiertegen gerichte bezwaar van appellante bij besluit van 2 oktober 2013 ongegrond. Appellante wordt geschikt geacht voor haar functie in de volle omvang. Belanghebbende stelt hiertegen beroep in. De rechtbank komt in een tussenuitspraak tot het oordeel dat UWV het besluit van 2 oktober 2013 onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij stelt UWV in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. UWV komt vervolgens op 29 oktober 2014 terug op het standpunt dat ten grondslag ligt aan het besluit van 2 oktober 2013. De beperking voor appellante voor veelvuldige deadlines of productiepieken is alsnog in de FML opgenomen. Appellante is echter nog steeds voor minder dan 35% arbeidsongeschikt, zodat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering. In hoger beroep voert appellante aan dat UWV ten onrechte beperkingen in de FML heeft opgenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante per 21 april 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Het verschil van mening tussen partijen betreft de motivering van het besluit. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellante in het kader van de Wet WIA op de datum in geding aangewezen was op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellante niet in staat was haar functie als reclasseringsmedewerkster in de volle omvang uit te oefenen. Van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA is alleen sprake als sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte of gebrek. Noch de arts die appellante op het spreekuur van 16 april 2013 heeft gezien, noch de verzekeringsarts bezwaar en beroep die haar tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2013 heeft geobserveerd, heeft enige psychopathologie of ernstige persoonlijkheidsstoornis waargenomen. Appellante was voorts niet onder behandeling voor psychische klachten. Dat appellante door UWV aangewezen is geacht op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, berust dan ook niet op een uit een verzekeringsgeneeskundig rapport blijkende rechtstreeks en objectief medisch vastgestelde ziekte of gebrek.
De betreffende psychische beperking, alsmede enkele lichamelijke beperkingen, zijn door de verzekeringsartsen in de FML opgenomen om preventieve redenen. Dit is gemotiveerd door te verwijzen naar de (medische) voorgeschiedenis van appellante en de re-integratieadviezen van UWV aan belanghebbende.In de voorgeschiedenis vindt de Raad echter geen aanknopingspunten om vanwege medische redenen al dan niet van preventieve aard voor appellante op de datum in geding een beperking op te nemen ten aanzien van veelvuldige deadlines of productiepieken. Ook de re-integratieadviezen van UWV en de mededelingen van appellante zelf bieden hiervoor geen aanknopingspunten. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2014 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Dat besluit berust niet op een deugdelijke motivering, nu daaraan ten onrechte ten grondslag ligt dat appellante op de datum in geding, 21 april 2013, in verband met psychische beperkingen niet in staat was haar eigen maatgevende functie uit te oefenen. De aangevallen einduitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2014 ongegrond heeft verklaard. De Raad laat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand, omdat wel terecht is beslist dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.