Naar boven ↑

Update

Nummer 40, 2021
Uitspraken van 30-09-2021 tot 05-10-2021
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. E.L. Eijkelenboom, mr. S.C. Goedhart, mr. C.P. Kuijer, mr. D. Ottevanger, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. S. van der Slot, mr. V. Twilt en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte confrères, collegae, amici en amicae,

Bijgaand treft u weer een nieuwe VAAN AR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Annotatie Olav van der Kind: Enkele gedachten over de bescherming van de vrijwilliger
Graag wijzen wij u nogmaals op de AR-annotatie van Olav  van der Kind bij AR 2021-0675In deze annotatie bespreekt hij de rechtspositie van de vrijwilliger en gaat hij in op thema’s als ‘bezwarende bedingen’ (geheimhouding/concurrentie), ‘aansprakelijkheid’ en ‘ontslag’. De zeer gedocumenteerde annotatie geeft veel handvatten voor organisaties die (veel) met vrijwilligers werken. Een must read!

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

Rechter oordeelt over onleesbaarheid verzoekschrift werkneemster en oordeelt dat geen sprake is van verboden onderscheid
In AR 2021-1226 staat de vraag centraal of het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst met een zwangere werkneemster een verboden onderscheid op grond van geslacht oplevert. De werkgever voerde in de procedure aan dat het verzoekschrift zo onleesbaar was, dat werkneemster niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechter overwoog als volgt:

‘5.1. Vooreerst dient te worden beoordeeld het verweer van JoS dat de dagvaarding en de incidente conclusie in feite onleesbaar en daardoor ook onbegrijpelijk zijn, zodat [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op artikel 111 lid 2 sub d Rv.

5.2. Dit verweer slaagt grotendeels, nu beide voornoemde processtukken inderdaad grotendeels niet kunnen worden gevolgd. De dagvaarding beslaat 175 bladzijden met schendingen van verboden en normen, vervolgens zogenoemde “belangen”, niet alleen van [eiseres] en van JoS maar ook voor de rechtsvorming, zes vormen van schade waarvan twee worden onderverdeeld in vijf, respectievelijk acht subcategorieën, waarna een paar bladzijden later vergoeding wordt gevorderd van zeven weer andere schades, waaronder: Aantasting in de persoon op andere wijze schade, Correctiefactor schade 2 en Afschrikwekkende schade. Hierna wordt men definitief het bos ingestuurd met Overwegingen t.a.v. de feiten en Overwegingen t.a.v. het recht (23 bladzijden), nog weer gevolgd door een opsomming van Waarheden (68 bladzijden) en Sprookjes (55 bladzijden). De goedwillende lezer geraakt hier in een “film noir” waaruit ontsnapping slechts mogelijk is door diep te zuchten en het stuk enige tijd weg te leggen.

5.3. Wie mocht menen dat het voorgaande overdreven is en/of quasi-grappig bedoeld: geen van beide is het geval. Goede rechtspraak bedrijven kan niet zonder behoorlijke stukken. Gedingstukken dienen zo kort en beknopt mogelijk te zijn, dus zonder eindeloze omzwervingen en herhalingen, alles op straffe van afnemende helderheid en onnodig tijdverlies voor de rechterlijke macht. De inleidende dagvaarding en daarop gevolgde akte van [eiseres] beantwoorden niet aan deze voorwaarden. De pleitnotities trouwens evenmin.

5.4. Niettemin is de dagvaarding voor een relatief gering deel wél begrijpelijk en zal hierna op dat deel worden ingegaan.’

De rechter oordeelde – anders dan het College – dat geen sprake was van een verboden onderscheid.

Twee dagen doorwerken na einde tijdelijk contract, leidt niet tot stilzwijgende voortzetting
In AR 2021-1223 staat de vraag centraal of het per abuis twee dagen inroosteren (en laten werken) van een werknemer na einde contract, leidt tot een stilzwijgende verlenging. Aan werkneemster is in duidelijke bewoordingen kenbaar gemaakt dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Dit betekent dat DJI aan de aanzegverplichting heeft voldaan, zodat artikel 7:668 lid 4 BW geen grondslag kan vormen voor de vorderingen van werkneemster. Verder kon werkneemster aan het enkele feit dat zij ondanks het einde van haar dienstverband op 17 en 18 september 2020 is ingeroosterd en die dagen ook heeft gewerkt niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat DJI de arbeidsovereenkomst zou willen voortzetten. Uit berichtgeving (een e-mail en een brief) van de PI volgt onmiskenbaar dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Ter zitting is gebleken dat dit voor werkneemster ook duidelijk was en dat zij vanaf juni 2020 aan een loopbaanbegeleidingstraject deelnam voor het vinden van een volgende baan. Dat DJI werkneemster vanwege een communicatiefout abusievelijk heeft ingeroosterd op 17 en 18 september 2020 kan er onder de gegeven omstandigheden niet toe leiden dat werkneemster erop heeft mogen vertrouwen dat bij DJI de intentie bestond de arbeidsovereenkomst alsnog voor onbepaalde tijd voort te zetten.

Advocaat OR spreekt ondernemer rechtstreeks aan op betaling ‘kosten 22 WOR’ via onrechtmatige daad
In AR 2021-1237 staat de vraag centraal of de ondernemer direct kan worden aangesproken op betaling van juridische bijstand kosten voor de OR in een situatie dat de OR inmiddels niet meer bestaat. Nu het gaat om de vraag of op grond van artikel 22 lid 2 WOR kosten vergoed dienen te worden kan dat alleen aan de orde worden gesteld in een procedure ex artikel 36 lid 2 WOR tussen de OR en de onderneming, en die is niet gevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de OR haar rechten ter zake aan de advocaat heeft gecedeerd. De ondernemer heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat de onderneming (in liquidatie) inmiddels is uitgeschreven uit het Handelsregister en dat de OR is opgeheven. Bij gebrek aan de OR als procespartij in de procedure ex artikel 36 WOR zou dan als grondslag ter voldoening van de factuur een onrechtmatige daad van de onderneming kunnen gelden. De onderneming stelt zich immers op het standpunt dat de factuur van de advocaat in feite oninbaar is, terwijl de kosten van de advocaat wel redelijkerwijs noodzakelijk zijn geweest voor de vervulling van de taak van de OR. Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich over deze grondslag uit te laten.

Werknemer dient werkgever twee maanden ‘loon’ (€ 7.776) aan vergoeding te betalen bij ontbinding arbeidsovereenkomst bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding wegens positieverbetering
In AR 2021-1225 oordeelt de rechter dat een werknemer die zelf ontbinding verzoekt (art. 7:671c BW) wegens een positieverbetering elders de werkgever twee maanden ‘gefixeerde schade’ moet betalen daar de verlengde arbeidsovereenkomst niet tussentijds opzegbaar is. De volledige schadeloosstelling tot einde dienstverband is niet billijk mede omdat het niet opnemen van het tussentijdse opzegbeding geen bewuste keuze is geweest.

Uitleg artikel 8 lid 8 Cao Textielverzorging: 24 maanden aaneengesloten inlening bij feitelijk werkgever geeft aanspraak op een arbeidsovereenkomst
In artikel 8 lid 8 van de huidige Cao Textielverzorging, geldig van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2021, is bepaald: ‘Een uitzendkracht die – vanaf 1 juli 2016 – 24 maanden aaneengesloten is ingeleend bij een werkgever (artikel 1 lid 3 CAO), heeft recht op een arbeidsovereenkomst bij deze werkgever. (…)’. Deze bepaling betekent dat werkneemster bij inlener aanspraak had kunnen maken op een arbeidsovereenkomst met inlener. Het leidt er niet toe dat werkneemster van rechtswege bij inlener in dienst is gekomen na ommekomst van de in de cao aangegeven inleenperiode. Dit betekent slechts dat inlener werkneemster ten onrechte geen arbeidsovereenkomst heeft aangeboden en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 8 lid 8 van de cao en schadeplichtig is (AR 2021-1236).

Verwijzingsarrest HR: tandartsassistente mocht terecht arbeidsprestatie opschorten
In AR 2021-1231 staat het verwijzingsarrest van de Hoge Raad inzake de arbeidsprestatie-opschortende tandartsassistente centraal (zie AR 2020-0441). In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: ‘De werknemer is derhalve in beginsel bevoegd de nakoming van re-integratieverplichtingen op te schorten als de werkgever niet voldoet aan zijn verbintenis tot loondoorbetaling tijdens ziekte, ook als deze door de werkgever niet nagekomen verbintenis ziet op reeds verstreken loonperioden. Het voorgaande impliceert dat tussen de loonvordering van de werknemer en zijn verbintenis te voldoen aan re-integratieverplichtingen in beginsel eveneens voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in art. 6:52 lid 1 BW.’ Het hof wijst in deze procedure de loonvordering toe.

Vragen of opmerkingen
Indien u problemen ondervindt met inloggen, kunt u contact opnemen met het secretariaat van de VAAN via het telefoonnummer 0343-430600 of via het e-mailadres secretariaat@vaan-arbeidsrecht.nl. Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ar-updates@budh.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Hof

Rechtbank