Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 14 augustus 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:3410
(erfgename van) werknemer/werkgeefster
Feiten
(Na verwijzing in cassatie, zie AR 2013-0454.) Werknemer is in 1976 in dienst getreden bij werkgeefster als (onderhouds)schilder. Voordien heeft hij gewerkt als vrachtwagenchauffeur en (vanaf 1968) als schilder bij twee andere bedrijven. Met ingang van 25 april 2000 is hij arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werk bij werkgeefster. Bij werknemer is begin 2000 een kwaadaardige tumor ontdekt in het nierbekken (urotheelcelcarcinoom). Ongeveer gelijktijdig werd een verdachte afwijking op de linkerlong gezien. Er werd een kwaadaardige tumor in de longen aangetroffen. Werknemer heeft in 2000 werkgeefster aansprakelijk gesteld voor de door hem ten gevolge van zijn ziekte geleden en nog te lijden schade. In 2001 is werknemer aan kanker(uitzaaiingen) overleden. In geschil is of werkgeefster aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Volgens de erven van werknemer heeft werkgeefster nagelaten te voorkomen dat werknemer met – kort gezegd – kankerverwekkende producten werkte en heeft zij verzuimd te zorgen voor adequate bescherming van werknemer. In eerste aanleg zijn de vorderingen afgewezen. In hoger beroep zijn deze toegewezen. In cassatie is het arrest van het Hof Arnhem vernietigd en is het geding verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij tussenarrest van 17 januari 2017 heeft het hof ir. Boeckhout benoemd tot deskundige voor het verrichten van onderzoek naar – kort gezegd – de zorgplicht van werkgeefster.
Oordeel
Comparitie van partijen
In het tussenarrest heeft het hof reeds meegedeeld voornemens te zijn om, nadat ir. Boeckhout zijn onderzoek heeft verricht, een comparitie van partijen te houden teneinde prof. Van der Laan een nadere mondelinge toelichting te vragen naar aanleiding van het door hem uitgebrachte deskundigenbericht en de reacties van partijen daarop. Het hof gaat bij dit arrest over tot het bepalen van de comparitie.
Uitkomsten deskundigenbericht
Ten behoeve van de comparitie geeft het hof de volgende bevindingen van ir. Boeckhout kort samengevat weer. Bij werkgeefster mocht het al in 1977, bij het begin van het dienstverband van werknemer, bekend worden verondersteld dat verf en verfproducten gevaren voor de gezondheid inhielden. Begin 1984 kwam er veel aandacht voor de ernst van de mogelijke effecten van blootstelling aan gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen). Als maatregelen werden toen genoemd optimale ventilatie, het vermijden van piekconcentraties en de blootstelling zo laag mogelijk houden. Zeker vanaf 1989 mag in de Nederlandse schilderswereld bekendheid worden verondersteld met de relatie tussen het schildersberoep en de (licht) verhoogde kans op het optreden van kanker. De deskundige constateert voorts dat er bij werkgeefster onvoldoende voorlichting en instructie over de gezondheidsrisico’s en beheersmaatregelen was. Dit had in elk geval al vanaf 1985 dienen plaats te vinden. Verder was er bij werkgeefster te weinig aandacht voor het voldoende ventileren van werkruimten. Ook was er voor het zo veel mogelijk voorkomen van het wassen van handen met terpentine bij werkgeefster tot begin jaren negentig te weinig aandacht. Ten slotte kan het beperkte gebruik van adembescherming (koolstofmaskers) in combinatie met de beperkte aandacht voor voldoende ventilatie, nu en dan hebben geleid tot een te hoge blootstelling aan oplosmiddelen en lijkt de aandacht voor het tegengaan van huidcontact bij het werken met epoxycoatings onvoldoende te zijn geweest, aldus ir. Boeckhout. Tijdens de te houden comparitie zal het hof deze bevindingen van ir. Boeckhout aan de orde stellen. In afwachting van de comparitie beoordeelt het hof in dit arrest nog niet of werkgeefster terzake een veiligheidsnorm heeft geschonden en of zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.