Naar boven ↑

Update

Nummer 29, 2019
Uitspraken van 18-07-2019 tot 23-07-2019
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. E.L. Eijkelenboom, mr. S.C. Goedhart, mr. C.P. Kuijer, mr. D. Ottevanger, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. S. van der Slot, mr. V. Twilt en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte confrères, collegae, amici en amicae,

Bijgaand treft u weer een nieuwe VAAN AR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

Uitzondering WAADI bij intraconcern detachering geldt ook voor onderkruipersverbod
In AR 2019-0791 oordeelt de Hoge Raad dat het inzetten van piloten van een ander onderdeel van EasyJet op vluchten van Amsterdam waar gestaakt werd, niet in strijd is met het onderkruipersverbod van artikel 10 WAADI. Intraconcern detachering is van het toepassingsbereik van de WAADI uitgezonderd. De Hoge Raad gaat niet mee in de stelling dat deze intraconcern uitsluiting niet van toepassing kan zijn op het onderkruipersverbod. Evenmin is het in strijd met het goed werkgeverschap als een werkgever werknemers vanuit andere onderdelen van het concern laat werken bij het onderdeel dat wordt bestaakt, ook als deze werknemers betere arbeidsvoorwaarden genieten dan de stakers en niet onder de werkingssfeer van de cao vallen waarover collectief overleg plaatsvindt. Ten slotte legde, aldus de Hoge Raad, het hof het begrip (concern)onderneming niet te ruim uit.

Ex tunc-toetsing d-grond staat niet aan beroep op opzegverbod in appel in de weg
In AR 2019-0792 oordeelt de Hoge Raad dat de werknemer terecht klaagt dat een ‘ex tunc-beoordeling’ niet afdoet aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep. Het stond de werknemer dan ook vrij om voor het eerst in appel een beroep te doen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing in eerste aanleg, en daarvan zo nodig bewijs te leveren. Het hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de beoordeling ‘ex tunc’ meebrengt dat het de werknemer niet vrijstond om voor het eerst in hoger beroep, dus na de beslissing van de kantonrechter, alsnog een beroep te doen op het opzegverbod en op de uitkomst van het neuropsychologisch onderzoek als second opinion. Omdat evenwel uit het oordeel van het hof volgt dat ook overigens het opzegverbod niet van toepassing zou zijn, kan deze terechte klacht niet tot cassatie leiden. Wel moet het hof in de beoordeling van de d-grond de stelling betrekken dat werknemer ‘ziek’ is (en daardoor mogelijk niet optimaal functioneerde). Op deze grond wordt het oordeel van het hof alsnog gecasseerd.
[Red.: Of sprake is van een ex tunc-toetsing wordt niet met zoveel worden beantwoord. Dit oordeel van het hof werd in cassatie niet aangevochten.]

Participatieplaats geen arbeidsovereenkomst
Het hof oordeelt dat een participatieplaats geen arbeidsovereenkomst kan zijn. Het college van de gemeente dient op grond van de IOAW dan wel de Participatiewet, voorheen de WWB, personen te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en daarbij zo nodig een voorziening te bepalen en aan te bieden. Op grond van deze – publiekrechtelijke – taak (en bevoegdheid) heeft het college van de gemeente persoon X geplaatst in het participatietraject. In de wetsgeschiedenis staat dat de regering met het wetsvoorstel aangaande de WWB de mogelijke angst van gemeenten dat de rechter zal oordelen dat een arbeidsovereenkomst aan de orde is, wil wegnemen door gemeenten meer zekerheid te geven dat uitkeringsgerechtigden onder bepaalde voorwaarden gedurende langere perioden werkzaamheden kunnen verrichten met behoud van uitkering, waarbij het uitgangspunt is dat recht wordt gedaan aan de beleidsvrijheid die gemeenten met de WWB hebben gekregen als het gaat om re-integratie. Hieruit is naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig af te leiden dat de wetgever niet heeft bedoeld een participatieplaats (tevens) als een arbeidsovereenkomst aan te merken (AR 2019-0776).

Zorgvuldigheid werkgever geboden bij aangaan studiekostenbeding
In AR 2019-0786 oordeelt het hof dat een studieovereenkomst niet tot stand is gekomen, nu de afspraken daarover nog te onduidelijk en vrijblijvend waren. Daarbij geldt dat een studiekostenbeding zodanig belastend is voor een werknemer, dat van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij de werknemer vóór het aangaan van de terugbetalingsverplichting de gevolgen daarvan, waaronder het financiële risico, duidelijk voorhoudt en vervolgens voldoende verifieert of hij daarover met werknemer overeenstemming heeft bereikt.

Vragen of opmerkingen
Indien u problemen ondervindt met inloggen, kunt u contact opnemen met het secretariaat van de VAAN via het telefoonnummer 0343-430600 of via het e-mailadres secretariaat@vaan-arbeidsrecht.nl. Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ar-updates@budh.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Hoge Raad

Hof

Rechtbank